Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
70
't Verschijnt: de lont strijkt neêr, het knappend kruid ontbrandt,
En 'tlos gedonderd schot wenscht heil aan 't Vaderland.
H. Tollens, Cz.
Vertrouwt niet op de deugd van hem, die geen Godsdienst
bezit, gelijk gij den Godsdienst mistrouwt van hem, die geen
deugd bezit. van der Palm.
Bloeijend land! door de natuur met hare rijke schatten
gesierd !... — verrukkelijk gewest, vol mannelijke schoon-
heid! waar groene heuvelen over lagchende velden zien, en
zonnige dalen , tusschen de met bosch bekranste bergen zich
slingeren; .... en de lucht door spelende zefirs wordt vei"-
koeld; die.... op hunne wiekjes de sterkende uitwaseming
des kaneels____ verspreiden — .. onaf'zienlijke akkers,
met goudgele aren , die onder -de ligte vleugelen des winds
golven en ruischen. — verzilverde beekjes, die met een vlei-
jend gemurmel over het witte zand voortsnellen, en met hun
doorzigtig kristal het heldere blaauw des hemels weerkaatsen,
uwe verwilderde bergen, welker wol ken dra gen de kruinen de
bedwelmde verbeelding alleen in staat is te bereiken ; — uwe
diepe dalen, ... . waarover, met bemost voorhoofd, getakte
rotsen hangen..........J. Haafner.
Europa zag verbaasd het rijzend wonder wassen,
Het ongekend kleinood, verscholen in_moerassen ,
Uit wier en dras geweld, dat, onbevlekt en schoon,
Wel haast haar keurgesteent' zou vonklen aan haar kroon-
II. Tollens, Cz.
14
Een vriend, zegt Salomo, heeft te aller tijd lief. Ziet daar
de kortste; maar tevens volledigste beschrijving, welke veel-
ligt immer van een vriend gegeven is. Hij heeft u lief, al-
tijd , onafgebroken, onverdeeld lief, hij, die waarlijk uw
vriend is. Het is niet uwe eer, uw aanzien, van hetwelk de
glans op hem kan afstralen; — het is niet uw geld, uw in-
vloed, waarvan hij zich nuttiglijk kan bedienen; — het is
niet uwe geleerdheid, waardoor gij voor hem kunt werken;