Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
65
werkzel van de afwezenheit van het ligt. — Twee paarden,
die aan dezelfde krip eten , ontsteellen elkander wel eens het
hooij of den haver. — Wij hebben in onze taal vertaalde digt-
stukken, waarin den vertaalder meer lof toekomt dan den
oorspronkelijken digter. — Hel is niet wijsselyk en ook niet
prijsselijk gehandeldwanneer een leerling zich verzet teegen
de lessen of den arbijt, die hem wordt opgegeven. — Zoo lank
men kint is vermaakt een meidje zig met popjes, potjes en
tobjes; een jongske met kartjes, paartjes en andere voddetjes-
— Een boordtje of halskragetje en een overhemmetje maken
een deel nit van de kleederdracht der jongelingen. — Wij
zijn er gezamelijk geweest, namentlijk: zijn papaa en ma-
maa , zijne nicht, twee zyner vriendtjes, hij zelf en ik.
6.
Alle dingen hebben twee handvaten; d. i. zij hebben eene
goedde en eene kwaadde zeide. Dit spreekwoort komt over-
een met: Alle vloet heeft zijn ep; nochthands zecht dit laat-
ste eigenlijk , dat eene zaak zoowel mede als tegenvallen kan.
— Klaagers hebben geen noot; poggers hebben geen broot. —
Zent de kat naar Roomen , en zij komt motiweude weerom;
men zegt ook: die een eezel geboren is, zal geen paardt
sterfen. — Eene swaan heeft haare pluimen zoowel noodig,
als een mus hare veren. — Haastiege luiden zijn gene veraa-
ders. — Het slegste rat maakt het meeste geraasch. — Dat
zijn ze niet, die Wilhelmes blaasen , zij Hansken van Gelder,
Dit gezechde heeft zijn oorsprong in de volgende gebeurtenis
Van, Gelder hat zich als verspyder in het leeger der Spanjaar-
den begeven. Hij werd gevad en naar de galg gelijt. Eene
liende staatsche mijters werd afgesonden om hem te bevrei-
den, waarop een Spaans trompetter kwamp blaasen , dat er
zich onraat opdeet. Van Gelder, die dat blaasen hoorde, zij-
de: »dat zijn ze nog niet, die Wilhelmes blaasen." — Hij
houdt zig jaques ; deze zegsweize beteekent : hij doed, alsof
hij er geheel onweetent van is. Men heeft dit verklaart, door
dat er iemand geweest zou zijn, die Jacques hiete, en die zoo
deet. Wij menen egter met meer waarscheinlijkheit te moo-
gen aannemen, dat Jacques eene verbastering is van het Franse
woord caché. — Zijn kaars brant in de peip: d. i. zijn leeven