Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
5S
toch lezen; zijn gebrek is, dat hij altijd overluid moet lezen.
— Dat heet ik den spijker op den kop te slaan, wanneer
men zoo iemand de waarheid komt te zeggen. — Sommige
lieden willen anderen wel helpen te verhuizen, om zich daar-
na in hunne plaats te komen te zetten. — Zoo zij hem ge-
holpen hadden te schrijven, dan zou zijn brief anders zijn
ingerigt geworden; maar zij hebben zich van hem onttrekken
gewild, als of zij hem reeds vooruit hadden vallen gezien.
15.
Hoe slaafsch die knecht zijnen heer ook dient, hij heeft
mooi te praten , als hij hem om eene gunst verzoekt. Dan
laat hij hem gewoonlijk lang staan te wachten, voor en aleer
hij den goeden sukkel eenig antwoord geeft, en dan nog is
het doorgaansch zoo bars , zoo honds , dat men naauwelijks be-
grijpt, hoe hij in staat is, iemand jaren lang met dien ijver
kunnen dienen. Ik, ten minste, zou nooit iemand zoolang
ter dienste staan, zonder nimmer niet eenig bewijs van we-
derkeerige genegenheid te ontvangen. Ik heb hel nimmer ge-
daan , en herhdal het, ik zal het ook nooit doen. Wie pu
hem durven te beletten , geene andere dienst te zoeken ? Nie-
mand toch kan hem verhinderen dit; niet te doen. Wie zou
hem ook kunnen verbieden, om zijn eigen welzijn niet te
bevorderen. — Kent gij dien groot geleerde niet ? Neen,
niet; ik heb hem nooit niet gesproken, en hem ook nimmer
nergens ontmoet. Zoo gij immer waarheid gesproken hebt,
dan zal het nu wel thans zijn ; want hij was al lang reeds
overleden , eer gij nog niet geboren waart. Maar gij begrijpt
mij altoos verkeerd. Ik meen niet, of gij hem persoonlijk
niet kent; maar of gy nimmer zijne werken hebt gelezen gehad.
16.
Van af den eersten dag, dat ik hem ontmoete, tot op den
laatsten oogenblik toe, dat wij met elkander zijn omgegaan
geweest, heeft hij steeds altyd geloond gehad een ware vriend
van mij te zijn geweest. Nimmer heeft hij van door mij
beganene verkeerdheden niets aan anderen verteld; integen-
deel heb ik vaak dikwyls in staat geweest, om met van
hem ontvangen raadgevingen myn voordeel te kunnen doen,
en nog menigmaal komen mij die raadgevingen te stade. —