Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
57
en de volgende dag hoorde ik , dat hij een geheel andere weg
gereden was. — Zoo die man zich uw vriend noemt, geloof
dan , dat hij slechts uwen vriend wil schijnen, en eindigen zal
met uwen vijand te worden. — Hij , die mij mijne feilen
toont, mij vaak vermaant en nooit verschoont, heet ik mijnen
vriend ; en zulk eenen weet ik , dat mijnen vriend steeds blij-
ven wil en zal.
13.
Gij zegt, wat gij wilt; ik geloof er niets van, dat de zaak
doorga. Veronderstel eens, dat zij gelukke; en dat gij uw
doel bereiket, dan zal toch de andere partij niet stil zitlen,
maar hare beste pogingen inspannen, opdat zij uwe verdere
bedoelingen kan verydelen. — Die zich met lust en ijver op
eenige wetenschap toelegget, kan zeker zijn daarin vorderin-
gen te maken, tenzij hy van alle verstandelijke vermogens
verstoken is. — In gevalle dat hy ongezind was ons te hel-
pen , zouden wij ons zeer in hem bedrogen zien, ten ware
dat er eenige omstandigheid zich had opgedaan , die hem zulks
onmogelijk maakte, en w'y welen zeer goed, dat zulks het
geval zijn kunne. — Laten wij nu dan toch maar gaan, en
houdt gij ons niet langer op, want bedenk toch, dat wy
onze eigene meesters niet zijn. — Laat hem doen, zoo als
hy verkiest; maar laat mij u een raad geven : zoo hij u niet
eerst betaalt, laat hij dan niet vertrekken , of ten minste laat
hij niet zijn' inboedel medenemen. — Ik geloof het zóó, hij
meent het tegendeel, zeg, mijn vriend 1 nu eens, wat er u van
dunkt. — Laten wij spreken, verzoek u vriendelijk en houd
u zoo lang stil, en wanneer dan onze redenen u mogen over-
tuigd hebben, laat ons dan als goede vrienden scheiden.
14.
Hij schijnt eenen vijand van lasteren ; hij gedraagt zich in
alle opzigten onberispelijk , en nogtans heb ik hem meer dan
eens hooren lasteren. — Die heer zegt, dat hij de schilder-
kunst beoefene, en dat hij zijn eigen portret hebbe vervaar-
digd; maar toch heb ik hem zien schilderen, zonder dat hy
zulks wete. — Onze knecht zegt, dat hij niet kan lezen; in
tusschen zag ik hem onlangs een' brief in de hand hebben,
en ofschoon de inhoud geheim moest blijven, hoorde ik hem