Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
56
11.
Gij beweert, dat hij het gedaan had, en om dien blaam
van zich af te keeren, houdl hij staande, dat hij ge-
heel onkundig van de zaak ware, en heeft hij trachte, te
bewyzen , dat men hem heeft zoeken om den tuin te leiden,
maar dat hij geweten heeft hunne listen en lagen te ontdui-
ken. Wat er van de zaak is, willen wij daar laten ; wij wen-
schen er het beste van te zullen kunnen mogen hopen. In-
tusschen meende hij, dat wij het gezegd hebben; maar had
hij beter nagedacht, dan zal hij overtuigd geweest zijn, dat
wij niets met de zaak te doen hebben. — Wij zullen hem
smeeken , dat hij zoo goed is ons die gunst toe te willen
staan. — Mijne ouders wenschen, dat ik een verstandig en
deugdzaam mensch wordt; zij dragen zorg, dat mij niets ont-
breekt, van hetgeen tot mijn toekomstig geluk dienen kunne.
Zij mogen dus ook verlangen, dat ik aan hunne liefde be-
antwoord , en dat ik alles aanwend, wat strekken kunne, om
hunne liefderijke oogmerken te beantwoorden. Zoude het
dus niet betamelijk zijn , dat een regtschapene jongeling den
Hemel bad, dat Hij hem sterken mögt, opdat hij zijne ver-
pligting jegens zyne ouders naar eisch vervullen mögt.
12.
Om zijn dagelyksch brood werken strekt ieder tot eer;
maar uit luiheid liever bedelen, dan werken willen is schan-
delijk. Die in staat is te kunnen werken , en niet voorne-
mens is zulks te willen doen, verdient ook dat hij anderen
niet geneigd vinde om hem te willen helpen. — Weet gij
ook iemand; die bekwaam zou zyn, myne zaken te kunnen
waarnemen, en die tevens gezind is zulks met de noodige
naauwkeurigheid te willen doen. — Zijne vrienden hebben
hem altijd trachten te bewegen, van die onderneming af te
zien; maar hij heeft steeds meenen te moeten voortgaan,
tot dat de uitslag hem zyne verkeerdheid heeft in doen zien.
— Indien gy begonnen geweest waart, toen wij het u gezegd
gehad hebben, dan hadt gij reeds lang gedaan gehad; maar
dat ongelukkige talmen om beginnen is gewoonlijk oorzaak,
dat men met zyn werk te laat kome. — Ik had hem de dag
te voor zyn vertrek gezegd, welke weg hy gaan moest,