Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
ondragelijk is, hij geeft ze nogtans niets dan goeden raad.
Onlangs ontmoette en vraagde ik hem , of hij deszelfs mede-
werking en geldelijke ondersteuning wilde verleenen , ten be-
hoeve van eenige ongelukkigen , ten einde ze werk te ver-
schaffen , en dezelve alzoo voor het nijpendste gebrek te be-
hoeden. »Ik, helper der ongelukkigen," antwoordde hij mij,
»ik zal ze geregeld-bezoeken, ze goeden raad geven, ze aan-
moedigen tot het werk, ja ik wil ze een broeder zyn. Maar
geld, mijn vriend, ach ! dat ongelukkige geld! men maakt
er onze armen nooit rijk mede."
8.
Mijn broeder zijn vriend is ook mijn vriend. Uwe nicht
haar werk is niet zoo moeijelijk als dat, hetgene mijne zus-
ter is opgelegd. — De Groothertog is gisteren alhier aange-
komen; heden morgen heeft hare Hoogheid vergezeld van ha-
ren oudsten zoon de godsdienstoefening bijgewoond. — Wij
zijn verzocht geworden heden onzen arbeid voort te zetten;
tevens werden wij aangezegd en zelfs gelast, om met hetzelve
in vier dagen gereed te zijn. Wij hopen, dat wij er in ge-
lukken zullen , ofschoon de laak , welke wij zijn opgelegd ,
zeer moeijelijk is. —Heden morgen heb ik mijn' ouden vriend
gesproken. Toen wij ons ontmoetten , omhelsden wij ons en
waren buiten ons van blijdschap. Ik , welke zoo lang gewan-
hoopt had ooit hem weder te zien ; hij, welke altijd zulk eene
warme vriendschap mij toedroeg, weder te mogen vinden , was
mijne innigste wensch voldaan te zien. — Ik , gij en hij zijt
heden middag ten hurment te eten gevraagd. — De verschijn-
selen , wier oorzaken ons nog duister zijn , zullen misschien
later opgehelderd worden. — De geleerden, waardoor reeds
zooveel is aangewend, zullen die taak niet opgeven. — Hij
wenschte u te spreken over de reis van zijnen zoon door de
Noordelijke gewesten van ons Vaderland en van Duitschland ,
welke heden eenen aanvang zal nemen. Wat eene reis gaat
dezelve doen! hij denkt dezelve in geen zes weken volbragt
te hebben. —■ Voor wien houdt gij hem ? voor een eerlijk man
of voor een schurk ? Waarvoor ziet gij hem aan ? Voor den
persoon zeiven of voor deszelfs broeder. — Hare Mejestjeit
de koningin is gisteren ochtend hier aangekomen , vergezeld