Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
beoefend worden. Doch de rijkdom aan taalkundigeen letter-
kundige werken schijnt toch niet de hoofdoorzaak van de be-
oefening eener vreemde taal te zijn ; anders zou ook onze taal
wel meer bijval in den vreemde vinden. — In grootere steden
vindt men veel meer handwerken beoefende menschen dan in
kleinere plaatsen. In de laatste toch vindt men geene koperen
instrumentmakers, katoenen en zijden kousenwevers, schil-
padden doozen fabrikanten en meerdere anderen.
Vier honderd en zeven en dertig oude ellen zijn gelijk aan
bijna drie honderd en een nieuwe ellen. —Deze regels vindt
men op de honderd eende of honderd driede bladzijde. — Toen
ik laatst bij den oude-boekenhandelaar was, too'nde hij mij
een zeer schoonst exemplaar van des grooten dichters Von-
dels werken. Hij vraagde er mij zeventig guldens voor, en ik
heb hem vijf dukaat geboden. — De ekwipagie van dat schip
bestaat uit achttien mannen. Het vaartuig gaat tien voeten
diep, hetzelve is veertig ellen lang en zeven ellen breed. Het
schip, dat er naast ligt, meet GOO lasten.
7.
Hij had mij beloofd, dat hij mij dat boek van u zou mede
brengen. Zoo gij hem spreekt, wees gij dan zoo goed en
spreek gij hem eens over dat. Waarschijnlyk heeft hy aan
dat niet gedacht.
De koopman, dien gij die goederen gezonden hebt, en diens
antwoord gij nog wachtende zijt, is overleden. Zyn zoon,
wie zijne zaken voortzet, zal u binnen kort wel schrijven, of
dezelve naar genoegen zijn, en of derzelver prijs niet te
hoog is.
Aan wat denkt gij , en over wat spreekt gij ? Wij spreken
over den man, waarover gisteren een artikel in de Kamper-
courant stond, en van dewelke ik gaarne een afschrift geno-
men had.
Het dienstmeisje, die onze dagelyksche boodschappen doet,
heeft zijne ouders verloren. Nu is het genoodzaakt deszelfs
dienst te verlaten, en een ander middel van bestaan voor haar
op te zoekén.
Hij-, welke zoo op zijne liefdadigheid roemt, wie zich steeds
vriend der'armen noemt, dien het gekerm der ongelukkigen