Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
aangehoord de verschillende door de geleerde heeren gemaak-
te aanmerkingen, op een bescheiden toon verzocht, of het
geoorloofd ware hem ook zijne meening te zeggen. Het ver-
lof natuurlijk werd hem niet daartoe geweigerd. Daarop wees
hij in het stuk aan eene plaats, en zeide: zou het misschien
niet eenige opheldering geven, wanneer wij daar plaatsten
een vraagteeken ? Door deze eenvoudige opmerking nu was
de geheele zwarigheid opgelost, dewijl in dien zin het stuk
duidelijk was en verstaanbaar. Hierop stoof een der aanwe-
zige geleerde heeren, die klein van persoon, (men zegt dat
het de beroemde Engelsche Pope de dichter was) was, op,
en vraagde, met een gelaat, dat genoegzaam aantoonde, dat
hij de zegepraal door den jongen officier behaald benijdde,
aan dezen: »Wat is een vraagteeken?" Waarop deze gaf ten
antwoord zeer eenvoudig: »het is een klein ding, dat som-
tijds zeer onheusche vragen doen kan."
VHI. OEFENINGEN OVER DE WOORDVERBINDING.
Spraakk. § 298—302. Spraakl. §134.
1.
In de volgende voorstellen ondersoeke de leerling, in welke der
drie betrekkingen (§ 298 der Spraakk. opgegeven) de daarin
voorkomende woorden staan. (I)
De Carthagers wilden zelve den eersten stap wel doen, om
in onderhandelingen te geraken , en besloten een gezantschap
naar Rome te zenden , met last, om over de voorslagen van
eenen billijken vrede of ten minste de uitwisseling der krijgs-
gevangenen te spreken. Om zich van het gelukkig gevolg
(1) Baar de onderscheiding der hier bedoelde beireJcJcitigen eerstin den
4. en latere druUen der Spraakkunst voorkomt, zullen wij dat gedeelte
voor de gebruikers der vroegere drukken hierbij afschrijven.
De betrekking, die de woorden op elkander hebben kunnen, is
driederlei: 1. die -van het onderwerp (naamwoord) met het gezegde
(werkwoord of bijvoegelijk naamwoord), waardoor de woorden tot
voorstellen verbonden worden ; men noemt dit de predikative betrek-
king des Toorstels ; 2. de verbinding van een naamwoord met zijne
bepalingen, of de attributieve betrekking des voorstels; en 3. de ver-
binding van het gezegde (werkwoord of bijvoegelijk naamwoord) met
zijne bepalingen, of do objektive betrekking des voorstels.
4