Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
staande tegenover onze ergernis, niet wat der beteekenis,
maar der afleiding aangaat; dwaelreis voor omzwerfing, dat
misschien d— leerling evenmin als de schrijver bevallen zal;
heugenis voor herinnering, en onderscheiden van geheugen;
horldurig tegenover ons/a/ijdHri,^ , en gelijkstaande met onzen
van korten duur; wegeltje voor kleine weg of pad; trekken op
voor gelijken naar ; van dit woord geven wij d— aanvang
van het hoofdstuk, in dewelke het voorkomt. Hij , dien deze
oefeningen gebruikt, wordt het overgelaten om het naar onze
spelling te veranderen.
16.
Bovenaan staat:
Keizer's kat is zyne nicht,
Groote lanteern muer klein licht.
»Wel nu, Kobe," vroeg baes Gansendonk aen zynen knecht,
»hoe zien ik er uit met mijne nieuwe muts'?"'
De knecht week twee stappen achteruit en wreef zich de
oogen, als iemand die over eene ongeloofelyke zaek verwon-
derd staet.
»Och baes," riep hy, »zeg het eens regt uit: zyt gy het
wel? Ik meende dat ik mynheer den baron zag staen. Maer,
heilige deugd, hoe kan het zijn ! Hef uwen kop eens wat
om hoog, baes; draei u nog eens om , baes ; stap nu eens
voort, baes. Zie, gy trekt op mynheer den baron gelijk een
druppel water....."
»Kobe I" viel de baes met gemaekten ernst in, »gy wilt my
vleijen; dat heb ik niet geern."
»Ik weet het baes," antwoordde de knecht.
»Er zyn weinige menschen die minder hoogmoed hebben
dan ik, al zeggen zy uit nyd dat ik hooveerdig ben, omdat
ik geene boeren kan verdragen."
»Gy hebt gelyk, baes. Wel, wel; ik twijfel nog ofgyde
baron niet zyt!" Conscience.
VI. OEFENINGEN OVER DE WERKWOORDEN EN
DE ANDERE WOORDSOORTEN.
Spraakk. § 211 — 225. Spraakl. § 95 — 128.
Teeken bij elk der volgende werkwoorden aan: i., tot welke