Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
over. Ik zal haar maar wat geven. Maar vergeet tocli niet,
dat mynheer en mevrouw Ledborne komen dejeuneren.—
't Is fataal weêr , anders zou ik nog een tourtje maken ; nu
ga ik een paar brieven schrijven." Doch eer de familie op-
stond, kwam de knecht binnen met een invitatie-billet voor
eene soirée op morden bij den minister van G * * *. »Houdt
die verveling nooit op !" zucht mynheer. »Maar is de eer
dan geen sacrifice waard ?" vraagt mevrouw. »Als mevrouw
om haar toilet wordt geadmireerd .. »dan viel me-
vrouw in , »heeft mijnheer er zijn aandeel aan." En op den
achtergrond van beider hart stonden geprezen worden en eer
hebben als gedienstige drangredenen om de uitnoodiging
allerbeleefdst te noemen. H.
Tijdspiegel, July 1853.
5. (1)
Dit zyn de heilige tien geboden, die alle menschen, die
hunne beschedenheit hebben, van regte schuldig zyn te we-
ten en te houden; zonder welke niemand behouden en mag
zijn.
Dat eerste gebod is: gij zult geene vreemde Goden hebben;
zoo wat de mensch boven God mint, of gelijk God , dat is
een vreemd God. Hierom en mag men geen creatuur min-
nen, noch vreezen, noch ontzien, jegen gebod in geenre
nood, daar men in komen mag noch van lyf, van goed of
van eer.
Dat andere gebod is: en neem den naam dyns Gods niet
ijdelijk in dinen mond. Hier is verboden alle zweeren en al-
le overtollige en onnutte woorden , daar men Gode toe noemt ;
ten zy om zulke noodzaken, als van de heilige kerk geor-
dineerd is.
Dat derde gebod is: gij zult heiligen en vieren den zon-
dag van alle werken ; gij en moogt niet laten werken uwe
kinderen , noch uwe boden , noch uwe beesten, noch uwe
(1) Wij hebben in deze oefening de oude spelling , waarop wij later
lerug komen, veranderd, en allten datgene onveranderd behouden,
wat dienstig voor onze bedoeling kon geacht worden. Zij is getrok-
ken uit een fragment van een handsehrift uit de laatste helft der He
eeuw , te vinden in de verzameling van Nederlandsche Prozastukken ,
enz., te Leiden bij J. II. Gebhard en Comp.