Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
151
spraakkunst moest voorttaan niet slechts in de studeerver-
trekken der Geleerden beoefent worden, maar een alge-
meen goet worde, waartoe vooral Bolhuis en Stijl de weg
opende.
91.
De hiervoor als opgericht wordende vermeit zijnde Maat-
schappij van Nederlandsche Letterkunde heëiverden haar aan
de verzaamling van houstoffen tot een uitvoerig Woordeboek
der Nederduitsche Taal, waaruit het groot Taalkundig Woor-
denboek van P. Weiland ontstont. Dezen taalgeleerde, die wij
onder de eerste kanzelreedeners reets al hadde moete noe-
men , was Remonstrantsch Predikand te Rotterdam. Ilij was
ten jaare 1754 té Amsterdam geboren en in achttentagtigjaari-
ge ouderdom na eenige jaare , steekeblind te zijn geweest,
overleeden. Door zijn groote Spraakkunst op last van het
Landbestuur uitgegeeven en sedertalshet eenige gezachhebbent
seedert erkent heeft hy de taalkunde grote diensten bewee-
zen. Te gehjk teevens met de last tot de verfaardiging van
deeze spraakkunst wiert de Professor Siegenbeek den taak op-
gedraagen om de spelling der taal op eene vaste voet te bren-
gen, daar te gevolge van verschillige opvatting een grote on-
eenpaarigheit in de schrijfwijze van het Nederlands onstaan
had Genoemde Hoogleeraar voldeet aan de hem opgelegde
taak door zijn doorvrogte Yerhandeling over de spelling der
Nederduitsche faal, een boek dat getuigd dat den schrijver
voor het werk, dat hem was opgedraage uitmuntend beree-
ken was, en al mogelyke vlijt aan heeft gewent om het be-
geerde doel te herijken.
92.
Dit doel werdt eventwel slegts maar ten deelen herijkt. Want
zo het ergens in bevestigt word, hetgeen een duitseGeleerden
gezegt heeft dat twee mensen over dezelfde zaak nimmer gelijke
gedagte konde hebben, dan was het wel in de spelling van
onze taal, namentlijk by degeenen die er over dachten. En
zooals wij booven reets aangemerkt hebben, dat men tot in
onze daagen niet vry van haarklooverij bleef, konde het ook
wel niet anders zyn te- wachten, als dat de door den door-
kundigen Siegenbeek voorgeslagenen weg een meenigte tee-