Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
150
J nooten, en als zijnde voor den handel bestemt, alleen dat
geene in zijn jeugt hat beoefent, wat een fatsoendelyk koop-
man nodig heeft. Zijn digtvuur was dus niet aan Griek of
Romein afgeleent, maar de ongekunstelde uitvloeijing van zijn
eigene aanleg, van zijn eigen gevoel. Aan de veele werk-
zaamheden , die het koopmansvak medebrengen, ontwoeker-
den onzen digter noch de t'yt om de vrugt van zijn digterlij-
ken geest zijner landgenoten aan te bieden. Een volleedige
uitgaaf zijner werken is thands bezorgd in twalef delen.
Behalve tollens hebben wij ook noch de dood te betreuren
van andere geliefde digters als spandaw en boxman. Hoewel
ook deze digters nu wij hun eenmaal missen een meerdere
uitvoerige betragting verdiende, moeten wij hun naarh slegts
hier vermelden als' reeds in de rêijen der ontslaapenen opge-
noomen.
90.
Eindegen wij thans met een korte beschouwing van de
vorderinge die de taalstudie in dit tijtvak maakte. Wij heb-
ben in de loop van dit tijtvak reets hier en daar op de verbee-
tering geweezen dien de taal hat ondergaan; maar ook van de
naauwgezetheit met dewelke alles gewikt en geweegt wiert, eer
het de critiek konden doorstaan. De naauwgezetheit vervalde
dikwijls in haarklooverijen: iets waarvan men in onze t'yt
somtijts noch niet geheel vreemt is gebleeven geweest. Dat
zulks dikmaals de vooruitgang der taal in de weg stont is
naturelijk; want geen woort werdt gebruikt, hetgeen niet
door dat van vroegere schryvers geëikt ware. Vooral wa-
ren Hooft en Vondel zoo als wij reets zaagen, de oraakelen
der taal, en al wat door hun gezegt, of eenig woort dat van
hun gebruikt was geweest, werdt voor ontweifelbaar goet
verklaard.
In het laatst der voorige eeuw begon men het echter te
waagen een meer vrijen weg te bewandelen niet alleen, maar
ook het spraakkunstig onderwijs meer voor het algemeen toe-
gankelijk te maake. Door de loffelijke bemoeijingen van de
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen werd het Laager Onder-
wijs uitgebreit en verbeetert, en ook het onderricht in de
reegelen der Moedertaal tot de leervakken opgenoomen. De