Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
143

roepen op hetgeen Snellaert ten zijnen aanzien in de volgende
woorden getuigt: »Deze beminnelyke dichter, uit Gendsche
ouders te Rotterdam geboren , is onder onze hedendaegsche
schryvers degene misschien die het zekerst de nationale zenuw
geraekt heeft." Terwijl hij verder de opmerking maakt, dat het
veelal een grolfe misslag is in veele andere zangers, dat zij
te veel met geleertheit in hare zange praale, waardoor den
beperkten kring van lezers bij een ontallijk volk nochnaau-
wei' toegehaald wordt. Het vermeiden van dit gebrek , gevoegt
bij een gantsch nederlandsche oorspronkelijkheid , en schitte-
rende verbeelding zuivere stijl, gemakkelijke en toch niet een-
tonige versbouw maken de gedigte van Tollens tot de wellust
van al de rangen van de maatschappij.
81.
Gaarne zoude wij nog by zovele grote manne, die tot de
teegenwoordige tijt te behooren kunnen gereekent worden,
vertoeve , als : een Jan Schouten , Borger , van Logchem ,
Spandaw, Storm van 's Gravensande, Wiselius, Staring van
den Wildenborch, van der Hoop, Schenk en velen anderen
die nog waardiglyk zijn voortgegaan met onze letterkundige
roem hand te haaven. Ook de Zuidelijke Nederlande bleeven
niet agter in de beoefening der letteren. Hier was het J. F. Wil-
lems (Geb. 1792 te Bouchout bij Antwerpen overl. te Gent
1846) die steets teegen allen verdrukking welke de landtaal
ondervinden moest, moedig worstelde, en den hoofdpersoon
en aanlegger der zogenoemde Vlaamsche beweeging was. In
1818 gaf hij zijn dichtstuk: Aen de Belgen, in welke hij de
vaderlandsche taal met kracht verdeedigde, teegen de aanvalle
van degeene, die dezelve niet als de taal der Belgen wilde
erkennen uit. In hetzelve jaar begon hy ook zijn: Verhan-
deling over de Nederdiiitsche Tael- en Letterkunde opzigtelijk de
Zuidelyke Provintien der Nederlanden , dat aan hem een nieu-
wen strijt berokkenden. Weynig bate het de ijverige Wil-
lems. Het opgedronge Hollands was niet aangenaam, en het
Fransch vont steets zijn voorstanders; misschien meer als
hen zelf lief was, maar men hout meer van ijgen keus als
van opgedronge goet.
Na de omwenteling kreeg het Fransch nog meerdere invloet,