Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
138
Wij oopene de rei onzer uitsteekende dichters met Vrouwe
Lucretia Wilhelmina van Winter , geb. van Merken. Deze
eedle vrouw en haren echtgenoote de Heer van Winter lagen
er zig op toe om door aanmoediging en gelukkige zelfsbeoefe-
' ning der vaderlandse letteren de nationaale geest op te wek-
ke. Mevrouw van Winter schreef treurspeelen en leerdigte,
beneevens twee heldedigte de David en de Germanicus. In
een en ander lag zij een veerkragt de vrouw ongewoon aan
de dag. Heur Leerdicht : Het nut der tegenspoeden is in zijn
genre een chef d'oeuvre. Tot de toneelpoezij door dezelve ge-
leevert behore : Het ontzet van Leijden, Maria van Bourgon-
dië; Jacob Simonsz. de Rijk ; de Camisards; Louise d'Arlac,
Sibilla van Anjou; en Gelonide. Om ons te rechtvaardi-
ge dat wij deeze digteres aan het hoofd deezer afdeeling
plaatsen, neme wij nochmaals de woorde van een meer be-
voegder kunstrechter, Snellaert namentlijk oover, die van
haar zeit: »alles in die vrouw was edel, haer gantsche le-
ven was een weêrschyn van des kunstenaers- en vaderland-
schen geestdrift die haer beheerschte: zy kondigde dat groo-
te tydvak aen, waervan de groote mannen reeds met haer
begonnen te wedyveren."
Van Merken wierd geboren te Amsterdam in 1722 en al-
daar overleeden 1789.
76.
Een andere begaafde dichteres uit die tijt was Juliana Cor-
nelia Baronnesse deLannoygeb. te Breda 1738 en overl. 1782
te Geertruidenberg. Zy was de letterkundige vriend van Feith
en Bilderdijk , waardoor by na genoeg tot derzelver lof gezeit
ware geweest. Men heeft van haar de treurspellen: Leo de
Groote; Het Beleg van Haarlem en Cleopatra; een heekel
dicht: Het Gastmaal en een beschrijvent gedicht: De ware
liefde tot het Vaderland. Bij een egt digterlyk gevoel paar-
de zy een fijnen smaak, en was daaidoor meede bevorder-
aar van de herleeving van een meer egte poezij.
Als digters in de eerste tijt treffe wij minder uitsteeken-
de taaienten aan. Als de eerste die wij hier aantreffe, noe-
men wij Johannes le Franck van Berkhey (Geb. 1729 te Leij-
den , overl. 1812.) Men heeft van dezelve: Het verheerlijkt