Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
137
derde tijdvak.
Derde Af deeling van 176(3 tot heden.
74.
Waarom vraagt den leerling misschien Legincl deze tij dvaks-
afdeeling met het boovengenoemdejaar ? Wij hebbe gemeent
dit jaar te mooge kieze, omdat van daar de oprichting der
Maatschappij van Letterkunde dateert, en dat na ons inzien een
zeer gelukkig verschijnsel aan onze letterkundige heemel ware.
De weinig betekenende letterlievende genootschappe begon-
den allengsch minder te worden ; de nieuw opgerigtte maat-
schappij telde onder zijne leeden de kundigste en uitstekend-
ste mannen die die tijt opleeverde, en was daardoor een
waarborg voor een gepaste aanmoediging der letteren vrij van
die kleingeestige vitzugt die de kleindere genootschappe ken-
merkte. De afdeeling die wij thans hebbe ingetreedde en die
het slot van onze schets zal bevatte kenmerkt zich dan ook reets
aanvankelijk door herleeving en voorstreeving op een nieuwe
baan ; dewijl hij daarna zelfs een krachtvolle bloei in alle tak-
ken van weetenschap en kunst ons ter beschouwing aanbied.
Wanneer wij na evenreedigheit met het voorige deze afdee-
ling in al zijn rijkdom en verschijdenheid wilde behandele,
dan waare wy zeeker nog niet op de half van onzen taak;
maar na mate wij meerder de tegenwoordige tijt naadere, hebbe
wij meerder bekentheit met het sehoone onzer letterkunde bij
de leergrage leerling voorondersteld ; en wij neeme ons dus voor
over het voornaamste slechts met enkele trekken te handelen.
75.
Daar so als wij boove zijden deze afdeeling der Nieuwe
Neederlandsche Letterkunde uitmunte in alle vakke van men-
schelijke kennis hebbe wij het niet onplanmatig geoordeelt
om daarbij een andere weize van beschouwing te folgen. Wij
wille naamlijk de voornaamste tot de bellettrie te kunnen ge-
reekend wordende schrijvers afsonderlyk behandelen en daar-
bij de na tijtorden het meest uitgemunt hebbende dichters,
daarnaar de prozaschrijvers behandelen, om, misschien in
't oog van enkelden leerlingen, zeer prozaïs te besluiten met
een overzicht der vorderingen , dewelke de taalstudie in het
laatst gedeelte van het onderhaavige tydvak maakten.