Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
135
72.
Met meer genie en gevoel was eenen lantman begaaft. On-
ze jonge leezers vermoedden reets, wie wij bedoele. Immers
kunnen zij het liefelijke:
Hoe genoeglijk rolt het leven
Des gernsten landnians Leên
van buiten, of herinneren zich daaraan, door het meermaals
te hebben gelezen. Zij weeten dus ook dat wij onze eenige
Hubert Gornelisz. Poot bedoelen, en gevoelen de frisse velt-
lugt dewelke de bedomptheid der boekesellen en studeerkaa-
mers aangenamelijk zal afwisselen. Maar ach helaas ! was den
vrije zoon des velds niet besmed geworden geweest met de
toen heerschenden geest, en hat hij de poezij blijven behan-
delen als verademing en uitspanning van zijne dagelijksche
beezichheden, dan hadde zyne voortbrengsele zeeker alle
die naïveteit, dat onopgesmukte, dat eedele bezeeten dat
wij in vele zijner verzen aantreffen, in andere door het
klaatergout der mitologie verdrongen zien. Poot is in 1689 te
Abswoude in 't Westland geboren, in 1733 te Delft overleden.
Poots werke zyn in 3 delen 4» en ook 8" uitgegeeven, en be-
helzen : Bijbelsloß'en, Brieven, Veld- en Zeezangen, Minne-
dichten, Mengeldichten, Geboorte- , Lof- en Lijhdichten. Wij
neeme de aanvang van het Zomeronweêr over:
Hoe smoort de volste klaerheit
Des daglichls in de naerheit
Van een' pikzwarten nacht! Hoe berst, met schorgeluit,
De zwaugre donderwolk in vier en hagel uit!
Wat woen de tweepaer winden
(Thans dolle krygsgezinden)
Vervaerlijk ondereen , terwijl, daer 'talles wiegt,
'tGraeu stof van dijk en straet ten hoogen hemel vliegt!
lleldiepgedokc kuilen.
En donkre bossclien huilen
Van 'tyslyk stormgewelt en blixemschoot op schoot.
73.
De ruimte dien wij ons zelve voorgeschreeve hebbe , ver-
bied ons om stil te staan lang bij andere digters van eenig
aanzien, welke in dit tijdvak noch van tijd tot tijd als uit-
zondering op de heerschende tijtgeest eenige sprankels van rijn