Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
133
1804 overleede is. Hij is den man geweest, waaraan wij het
doorwrogle werk, de Opkomst en Bloei der vereenigde Neder-
landen te danken hebben; een werk, dat zicli onderscheid
door een helder wijsgeerige blik en een levendig deftigen
stijl. Een werk, »dat" zegt Snellaert »alle mogelyke wissel-
valligheden in onze letterkunde trotseeren zal."
Veel vroeger als de gemelde prozaschrijvers leefde en werk-
te de drie gebroeders , Kasper, Geerardt en .lohannes Brandt,
zoons van de reets genoemde digter Geerardt Brandt; den
eerste en laatste Predikanten te Amsterdam , de middelste te
Rotterdam. Zij hebbe zich in hun lijd in de kanzelwelspree-
kenheid onderscheiden. Daarenboven hebbe alle de drie een
bundel leerreedens naagelaaten , en'eenige histoorische of bio-
grafische werken. Kasper was geboren in 1654, Geerardt in
1657 en Johannes drie jaaren laater. Zij zijn alle drie vroeg-
tijdig overleeden , door hetwelk zij verhindert werde een meer
grootere naam in onze letterkunde te verwerve, waartoe het
hen niet aan aanlach heeft geschenen ontbrooken te hebben.
70.
Wij hebben zoo straks dit tijdvak een prozaïsche tijt ge-
noemt. Men moet dit eventwel niet opvatten als of daar
volstrekt niets in de digikunst gedaan was geworden geweest.
■ Men zegt wel eens het is een siegt lant waar het niemant
wel gaat. Wij zoude hier moeten zegge het zou een al te
slegte tijt geweest hebbe, waar niemant, na zoo veel door-
luchtige voorgangers de lier met waardigheid had handteeren
gekunt. Neen wij treffe ook hier, als altijt uitzonderinge.
Het was wel eenen tijt van laauwheit, krachteloosheid , beu-
selachtigheid; het was een tijd die het zaalige nietsdoen
in zijn schilt voerde. De langduurige vreede, het zoete ge-
nieten van door des vaderen vlijt verwerfde .schatte deet de
geest der natie verkwijnen en tot dat beuselachtige ver-
vallen waarbooven zij zich in tijden van spanning, en van
algemeene belangstelling verheft, omdat de aanstrenging
waartoe zij alsdan gewekt word, haar de tijt voor nietig-
heede niet ooverlaad. Dat kleingeestige , wij zouwen haast
zegge kinderachtige vertoonden zich vooral in de meenigten
van letterkundige genootschappe die een flaauweafspiegeling