Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
131
neer hy gelooft koddig te zyn, wenscht hy zyn fraaye geest
geluk; met een schaterende lach, die hy drie of viermaal,
■wanneer zy verflaauwt, en een spoedig einde schynt te belo-
ven , weder weet op te beuren, en met een verdubbeld ge-
druis te vernieuwen . . . ."
67.
Vervolg.
» . . . . Dewyl men weet dat zyn stoutheid uit enkel on-
gemaniertheid die aan hem niet kan geweten worden spruit,
en dat hy anderzins een eerlyk man en een gedienstigmciend
is, die het zelfs aan verstand niet ontbreekt, omtrent zaken
op welken hy gevat is, zo verschoont men hem zonder
moeite, en men heeft er gelyk in. Niemand toont er zig over
gestoort ; men gewent 'er zig aan ; 't verschaft stof tot lag-
chen , 't welk 't aangenaamste present is dat aan de groten
gedaan kan worden, 't Zou spyt verwekken zo hy schielyk
zig leerde kennen, omzigtiger en eerbjediger wierd; Aldus
word hy allengskens een gerust bezitter van 't recht van
gemeenzaamheid, 't welk hy zig in 't begin met een woeste
stoutmoedigheid heeft aangematigt; Hij dringt er zig zonder
de minste tegenstand, hoe langer hoe dieper in. 't Wil van
hem gedaan wezen; zyn onbedagtzaamheid geeft aan zyn on-
beleefde manieren iets levendigs en natuurlyks, dat zelfs na
beminnelykheit zweemt; Hy wordt welhaast een gunsteling,
en staat in 't kort een eerampt te verkrygen , daar hy al zyn
leven vrugteloos naar gedongen zou hebben, indien een goe-
de opvoeding hem aan een omzigtige bedagtzaamheid had ge-
went , en hem geleert had zyne vrolykheid aan de wellevent-
heid te verslaven."
■ 68.
Dewyl wy aan de beschouwing van deeze prozaïsche tyd
met de aanhaaling van eenige taalkunstige schrijvers en de
vader van ons nieuw proza begonnen hebben, willen wy by
dit gedeelten der letterkunde eerst ons bepaalt houde en met
een enkel woord nog over een paar andere voornaame pro-
za schryvers van dit tydvak spreeken. In de eerste plaats
dan treife wy de ijverigen Wagenaar an, een schryver
die onzen jeugdigen lezers waarschyndelyk niet onbekent is.