Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
130
werke in de Fransche taal. Van 1731—1735 schreef hij zijn
werk: de Hollandsche Spectator, door welke hij zijne onster-
felijke roem heeft verwerft. Naar verschillende afwisseling in
zijn needrige betrekking erlangdet hij de post van Komies over
's lands magazeinen te 's Hertoogebosch, waar hij 1735 stierf.
AVij kunnen niet nalaten een paar uittreksels uit zijn be-
roemt geschrijf onze lezeren mee te deelen. Laaten wij eerst
iets van zyn menskundige opmerkinge hooren door zijn be-
schrijving te leezen van het zielsgebrek: de onbeschaamtheit.
66.
»Zomtyds heeft het geen andere oorspronk, als eene vol-
strekte onkunde omtrent eene redelyke beschaaftheid, en be-
tamelyke welvoeglykheid, en die geen die in dit opzigt de
grootste misslagen , die de omstanders schaamrood doen wor-
den, begaat, voelt dikvvyls niet eens dat'er de minste onbe-
hoorlykheid in zyn handel schuilt. Hy weet niet beter, of
het hoort zo , en by gebrek van een oplettende agterdogt ver-
meent hy , dat al hetgeen hy onbedachtelijk doet en zegt, de
gemene slender der menschelijke zamenleving volgt. Dusda-
nig is het character van Georgiens, die men dagelycks met
verscheidene mannen van 't grootste crediet en gezag ziet ver-
keren. 't Is een man van een vrolyken inborst, van een
levendige onbedrevenheid, en die van 'tgeluk 'twelk hem
toelacht al een redelyke groote achling voor zig zelve ont-
leend heeft, 't Is nogthans geen kwaad slag van een man.
Men kan hem een hupsch karei noemen, 't Is met hem ge-
lyk men zegt, goed rond, goed Zeeuivsch. Hy veracht nie-
mand , en hy behandelt zyn moeder en zyns gelyk even eens
als de grootsten van 't land, met welken hy ten naasten by
wel merkt dat hy in aanzien in generley wyze kan vergele-
ken worden. Zyn omgang met de laatsten is de vermakelyk-
ste klugt die er kan gespeelt worden. Hy treedt de kamer
in met een geruste en vrolyke trony, noemt ieder die hy
groet, met een luide stem, by zyn naam. Hy maakt zig,
zonder af te wagten dat hem zulks word aangeboden, mees-
ter van een leunstoel, zig weinig bekreunende of anderen
zitten of staan. Hy legt zyn benen over den ander, vertelt
het een of 't ander nieuws met eene daverende stem, en wan-