Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
1S8
voudigheid en zoetvloeienheid veel nadeel deedt. "Voor de
ijgentlijke taal studie wierd intusschen meer gedaan. Ofschoon
ook hij niet bevrijt bleef van de— invloed van die zugt tot
kunstmatige verfraaijing, door wie men van dit hoofdbegin-
zel, dat men de wetten der taal uit de taal zelfs, en niet
buiten hem, uit hem geheel vreemde beginselen ontlenen
moet, afwijkte. Men puttede wel de reegels der taal uit de
meest gevierdste schrijvers, als wij boven zijden, maar de
Taalstudie staat op zijn zelfs, en dient bij de— beschaafde
schrijver vooraf te gaan. Tot de Taalgeleei'den in het begin
der achtiende eeuw behooren vooral Moonen, Verwer, Hoogstra-
ten en Sewel. In 1706 verscheen de spraakkunst van Moo-
nen, die als het eerste volleedige werk van die— aard kan
aangemerkt worden. Twee jaren later vond hij een— mede-
dinger in sewel. Het was vooral de vaststelling van de ge-
slagten der zelfstandige naamwoorden dat een hoofddeel van
derzelver navorsingen uitmaakten.
David van Hoogstraten schreef zijn— geslachtlijst der zelf-
standige naamwoorden dien hij voornamelijk uit de schriften
van Hoofd en Vondel opzamelde, en in welks voorreede altans
zo wij wel meenen ons daaraan te herinneren hij bij deze schijn-
bare onbetekenende zaak een kenmerkende onderscheit dezer
twee schrijvers aangeefd. Hij zeid naamentlijk en zoo hij het
niet zeid dan heeft het een ander gezeit, dat Vondel meenig-
maal het meer krachtiger mannelijk geslagt aan verscheidene
woorden toekend, waar Hooft het vrouwelijk geslagt aan de-
zelve geeft, als 't waare dus een teegenstelling van het meer
gespierde van Vondels taal teegenover het meer zachte van
die van Hooft.
De zuidelijke Nederlanden leverden ook voor de taalkunde
niets bijzonders op. Het eenige dat vermelding verdient was
het Nederlandsch voorschriflboek van Andries Steven school-
onderwijzer te Cassel. In zijne taalkundige voorschriften han-
deld hij over de uitspraak, de spelling en de zuiverheid der
taal, en klaagt dat z'ijn landgenoten te laauw zijn om hun
eigen goed te bewaren.
64.
De eerste schrijver, die de taal in haren oorsprong na-