Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
126
voortspruiten. Het laat zich begreipen, welke — invloed die
inrigting op de taal had, niet alleen als bevorderaar eens
beschaafden voordragts, maar ook als aanmoediger voor
dichters en kunstminners, en dat zij eene der hoofdoorza-
ken geweest heeft, dat de Hollandsche dialekt in spraak en
schrift de toongever voor de beschaaving wierde.
De oprichting van verscheidene hooge schooien omtrent die
tijd is een bewijs hoezeer zich de zugt na kennis en weeten-
schap in Noord-Nederland openbaarden. Dat van Leyden, het
oudste dezer instelsels zach zijn leerstoelen door de meest uit-
steekendste geleerden bezet, en ook daar schitterden, als wij
in Heinsius en Barleus zaagen, meenig licht, dat om de Spaan-
sche dwingelandij uit de zuidelijke Nederlanden geweken was.
Niet minder als zevetien Zuid-Nederlanders telden hij achter-
volgende onder zijn Hoogleeraren.
Wat nu verder de letterkunde betreft. De tooneelpoezy
werd nog maar slechts door enkelden met eenig gelukkig ge-
volg beoefent, ooverigens leeverde dezelve meestal gedichten
in eene godsdienstige zin, hoewel zich ook daarin noch eenen
nagalm van dat krachtige en verheevene deed hooren, dat
wij bij de digters in het begin dezer eeuw, vooral bij Von-
del, aangetroffen hebben, en waarin vooral van Vollenhoven
met bijzondere lof moet gemelt worden. Ook in het zuyde
openbaarde zig eene gelijke nyging der dichtkunst; daar deze
daar en hier van een verschillend stantpunt uitgaan, heeft,
vooral de voor de zang bestemde poezie een zeer verschillent
karakter, die de indruk draagd en van de lantaart en van de
heerschende godsdienstige begrippen.
Wij koome nu aan het slot van de eerste afdeeling van dit
tijdvak dat wij op het jaar 1679 geplaatst hebben. De twede
afdeling moet ons helaas, een stilstant, een jammerlijke ver-
val van die heerlijke beoefening der letteren, van wie wij in
de eerste afdeling getuige waaren tonen. Een smartelijke in-
vloet niet alleen van fransche wansmaak maar noch ook los-
bandigheid, zeedeloosheit en wuftheid zoowel in het maat-
schappelijke als in haar afdruksel de letterkunde.
62.
Wij hebben het ijnde van de eerste afdeling en derhalve