Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
117
nanciele omstandiglieden was. Vondel ooverleedt in 1679.
Wij zoude naenen de grootste onzer digters onrecht te doen
zo wij niet uit zooveel kunstjuwelen als hy ons heeft naage-
laate iets mededeeldden. Doch neen wy vergissen ons. Wij
wille liever zegge, dat wij noch eene heilig schendnis begaan
moetten door weeder een kunstgevrogt op te neemen in de
rei van eenige fautieve themaas. Nochtants wille wij de vol-
gende proeven niet als sodaanig aangemerkt hebben.
53.
Wij kiezen om zijn verheven dighterlijk gevoel en zyn
rijkheit van uitdrukking te doen zien een paar gedeeltens uit
de reijen uit het meesterstuk uit zyn treurspellen ,~deLHci/er,
dat nimmer genoeg geroemt en nooit genoeg te roemene
hoewel in ander genre egter wetijverd met Miltons heldedigt
het Paradijs verloren,
Rey van Engelen.
Wie is het, die zoo hoog gezeten
• Zoo diep in 't grondelooze licht,
Van lijdt nog eeuwiglieil gemeten.
Noch ronden, zonder te^enwighi,
By zich bestael, geen steun van builen
Onlleenl, maer op zich zeiven rust.
En in ziin wezen kan besluiten
Wal om en in hem, onbewust
Van wancken, draeit, en wort gedreven,
Om 't een en eenigli middelpunt;
Der zonnen zon. de geest, het leven;
De ziel van alles wal gby kunt
lïevroên, of nimmermeer bevroeden;
Het hart, de bronaêi-, d'oceaen
En oirsprong van zoo vele p;oeden.
Als uil hem vloeien, en be.staan
liy zijn genade, en alvermogen,
En wijsheil, die Iiun 'l wezen schonck
Uit niet. eer dit in lop voltogen
Palais, der h&emlen bemel. blonck;
Daer wy met \lengelen d' oogen decken
Voor aller glansen Majesteit;
Terwyl w^e 's hemels iofjralm wecken»
En vallen, uit eerbiedigheil,