Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
115
Nu leg ik als verslenst, van ytler le versmaan,
Onwaardelij k geboeil, en op mijn' hals gevaan :
Des ik my zel.ven 'l hool't, van iroosleloosheidl. plonder.
In eec', in eenen dagh , ben ik geworpen l'ondei :
En is verdweenen heel mijn gloory klaar, gelijk
Als van den hemel vall de sneeuw, en smelt in 'l.slijk.
Gaal been, vertrouwt hel luk. My , dien , met feestigh groeten,
De morgen aanebad, en d'avond trad met voelen.
enz.
Nu iets noch uit: de Zangen.
— Klaare, wat heeft 'er uw barljen verlepl
Dat het verdrietjes in vroolijkbeidt schept,
En l'aller lijdt eeven beneepen , verdort
Gelijk als een bloempjen , dal dauwentjen schort ?
— Anders en speelt er hel windetje niel
Op elzetakken , en leuterigh riet,
Als lustigbjes, lustighjes. Lustighjes gaat
Hel watertje , daar 'l tegen 'l walletje slaat.
— Ziel d'openhartige bloemetjes staan ,
Die u , tol alle blyf^eesligheidl, raên.
Zelf 'l zonnetje wenscht' u wel beter te nioê;
En werpl u een liefl'elijk ongelijn toe.
— Maar zoo ze kunnen , door al hun vermaan ,
Niel sleeken met vreughd uw' zinnetjes aan ,
Ik leg u le maaken aan 'Ischreyen de bron.
De hoornen, de bloemen, de zuivere zon.
52.
Wat Hooft zoo luisterijk begonnen waar, -wiert door de
uitsteekenden taaienten van Joost van den Vondel voortgezet.
Deeze— groote— man, die om deszelfs veelzijdig rijk dicht-
talen t de— vorst der Nederlandsche dichters genoem d word, hadt
gene geletterden opvoeding ontfange, maar hij heeft dit gemis
weeten door ijgen vlijt te vergoeden. Op zijn 26ste jaar leer-
den hij het Latyn en daarnaar het Grieks. Hoewel hij in
elk— dichtsoort tuis ware, en in verschillende genres de
meest uitsteekendste proeven gelevert heeft, heeft evenwel
echter het treurspel denzelven de meeste laauwers verworven.
Zijn taal is zierlijk, verheeven , vloejent en kraghtig. Hij
gaf hem alle moeite, om dezelve in elk— vorm juist aan de