Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
114
Uit de moord te Naarden.
»Werwaarts ook zij zich keeren, cle wanlen staan pal, en de
doodt in de deur. Voorts vliéghen de vijanden , tot het kerkjen
in , als verwoede wolven , den tsaaghenilen drom , met deeghen en
daggen, op 'tlijf. Dat weemeien, onder elkandere, van een'
schaare, in zoo eng een' plaats gepakt, dat buyteen in hun eyghen,
oft hunner meedeburgheren, en spitsbroederen bloedt, dat root-
en doodverwen van troonjen, breeken van gezight, krimpen van
leeden, vlechten van vingeren, wringen van handen, was wel
't grouvi'zaamste weezen, dat ooit oogh' of oore moght voorstaan.
Maar niet den Spanjaardt heeft zoo deerlijk een' vertooning ge-
jammert," enz.
Welk een schildering, welke een kragt van uitdrukking,
welken een rijkdom van woorden zoo juist gekoozen, vind
men in dezen laatsten taafreel.
In de eerste zijn veellicht eenige woorde of uitdrukkingen
dien de leerling vreemt zulle voorkomen. Wij menen: min gronds
vinden in voor ondoorgrondelijk schijnen; eedeldoom \oor adel;
rahant voor schurk; min noch meer dan \oot even als; schud-
den voor schelmen. Terwijl wij aanmerken, dat den dwing-
land daarin bedoelt Filips is en den zo genoemde rabaut Alva.
51.
Wij hebben tands een klein beweis gezien van den kragti-
gen pen dien Hooft in het Prooza voerden. AVij willen noch
ook een proefe geeve van zijn kernachtigen en gespierden
taal in poezije en teevens daarteegen over een staaltjen mee-
deelen, hoe liefelijk zagt en zoedvloejend die zelfde bant de
lier konde handtéren.
Uit het Treurspel: Geeraardt van Velzen. Monoloog van
den Graaf Floris.
Wat is de mijn' een val? boe ver ben ik versmeeten!
Op gist'ren zat ik hoogh , verzelscbapt met de pracht
Des Priesterdoms verwaant, en Heeren groot van nr.aght;
In 't schoone midden van den drang der eed'le schaaren;
Omringelt met den stoet van lijfwacht, en dienaaren
Als een vermoogen Vorst, en van dit vrije landt
D'uitsteekenste persoon: en zoud deez' gulden bandt
Die niet dan Graaflijk hair gewoon is te verschuilen,
Met meenigh Koninks kroon nood' hebben willen ruilen.