Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
III
der ouden taaien hij bezat noch een— uitgebreid— geleert-
heit, en een overweegent verstant. Zijn werken zoowel in
prosa als poesy overtreffen dan ook in zierlijkheid, zuijver-
heid van taal, vindingrijkheit en egt vernuft alle zijne voor-
gangers. Hij was de ongenoemde schrijver van den Bijen-
korf der IL Roomsche Kercke ^ van het Compro7nis der Edelen
van het Wilhelmus van Nassanen, en van verschillige andere
werken. Vooral verdiend zijn bereiming der Pesalmen, die
hij uit het Hebreeuws in vloeiende verzen overzette de— aan-
dagt. Hoe wel aan de berijming van Petrus Daets ofDathe-
nus, voor kerkelyk gebruik later de— voorkeur gegeeven is
geworde, is zij tog in taal en poezy verre boven deze ver-
heven.
Tot staving daarvan nemen wij uit Willems een paar ver-
zen van beider vertaling over.
Een gedeelte van Ps. 104 luidt bij Dathenus:
Gij (God) welft uwe Camers niet waler rein
De woleken zyn uwe wagens, niet cleyn,
De winilen dryvende na u behagen
Trecken mei haer vleugelen uwen wagen.
Bij Marnix leest men :
Die "t vast beschot van zyne hooge tent
Op 'twater beul, end' wagens wyze ment
Der woleken drift, en stuerl der winden snede,
Als of hy zelf op haere vleugels rede.
In Ps. 143 leest men naar Dathenus:
Laet my vroeg u genaed' aanschouwen ,
Op U slaet myn hoop in 't benouwen,
Maekl my doch den rechten wech cont
Dien ik gaen moet, want lieer vol trouwen
Tüt U hef ik op hert en mont.
Naar Marnix: ^
Doe my vroeg hooren end* aanschouwen
Dijn gunst; op dij slaat mijn vertrouwen.
Vergun mij, Heere, dat ick tref
De rechte baen , die ick moet houwen,
VVanl ick mijn siel tot dywaerts hef.