Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
107
Te scheppen in desen.
Denct om "iLanl hier boven vol soeter vruchten
Daer 't sonder vrnc.blen
Allijt Somer sal wezen;
Gael melier bégeerlen daer bloemkeiis lesen,
Peysl hoe sehoone hy daer is weerdigh ghepresen.
Die bier de bloemkens can cleeden soo sehoone ,
Soo dal noyl Keyser in synen ihroone
En was-ghekleedl mei sulclseu coleure.
Siet ghy Sonne en Maene daer van ghesichle ,
Ende de slerren dichle
Aen den hemel slaen,
Ten zijn maer stralen van den eeuwigen lichte :
Dus wik u ghesichle,
In 'l hoogste slaen:
Peysl om 'l licht, daer dese haer licht af onlfaen,
Wiens godlijke cracbl schijnt in der Sonnen stralen ,
Die alle groeysel doel uyter eerden gaen ,
En met bloemkens becleedl bergen ende dalen,
Soo dal geen schilder en sou connen ghemalen
Soo schoonen coleuren , ofl soo menigerhande.
\ Men zal moeten toestemme dat in deze reegelen leen egt
digterlijk gevoel met veel gemakkelijkheit is gedrukt.
Na deeze belgischen sapho zo als zij is genoemd geworden
geweest, moeten wij noch melding maake van eene-Jan Fruij-
tiers van Middelburch , dewelke eene vertaaling van Jesus Si-
rach gaf, deurdeelt en gestelt in liedekens, op bequame ende
gemeyne voisen , naar utwysen der musycknoten daerbij ge-
voecht. Hij schreef een zeer zuyvere taal.
Ziet hier de aanvang van het eerste Liedeken van den Ec-
clesiasticus.
Van Godl comt alle wysheyl goet,
Oie slael altyl in .syn ghemoel;
Wie teil mei recht hebaghen
De druppen des regens ent sant der vloet
Des lyls seer langhe daghen.
Wie heeft des hemels hoocheyt ront.
Het aerlrijck breedl oft den afgront,
Met sijnder handt ghemelen ?