Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
het Doek te Brussel de— eerste— prijs in een— dichterlijke-
■wetstrijt wiert toegekent; dezen prijs bestont in een goude
ring met een rijke diamant door Philips de Schone uitgelooft.
Men melt van hem: die Huere van der doodt, en die Stove,
samenspraak over de huwelijke staat en de huisselijke vree-
den, dat vloejend en bevallig gedigt was, maar niet strook-
ten met de inzichten van Alva en daarom op de lijst van de
verboodene geschrifte geplaast wiert, en weldraa tot de selt-
saamheden behoorden.
Tot een proefe noch van de— digttrand op het laatst der
XV eeuw delen wij het volgende mede, van Anthoni de Rouere
of de Rover van Bruggen, welke omtrend het jaar 1482 leef-
den, en dan genoemt wiert eenen Vlaemsch Doctoor en ghees-
tigh Poete. Het veersjen hiet:
Wijsc Leeringhe voor een man.
Schoone zeden , sonder liooghe moet.
Luttel spreken, ende dal selve goet;
ïe tijde glieven ende riemen,
Drechl {'t Regl) hanlhieren ende vredelijck leven,
Ende metten goeden ommeghaen,
Onrecht vromelick wederslaen;
Niet antwoorden vreemde daden,
Vreckheyl ende gliiericheyl versmaden ,
Ende oock le (niet) malen connen verdraghen,
hl noode byslaen zine inaghen,
Die deze poinclen vast houden can
Is gherekent een wijs man,
42.
So naadren wij der zestiende eeuw_, bij wiens aanvang d—
toestand onzer taal zich niet zeer gunstig voordoed. Deoor-
saake zijner verbastering hebben hierboove wij reets aange-
stipd, dezelve blijfden steets thands voortduuren, en hunne
nadeelige invloet op de Taal en op de Letters uitoefenen.
Derzelver voortbrengsels zijn dan ook voor het merendeels
van weinig waarden, wat het schoone betrefd, en met de uit-
sondering van enkele naame, blijfden de beste werke van dit
tijdperk beneeden het middelmaatige.
In d— eerst— helft van dezen eeuw en dus tijdens de re-