Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
— Hollander met naamen Willem van Hillegaertsberg dien in
't laatst der XIV en het begin der XV eeuw digtte een—
eerste— plaats. Hij ware daarom zeer in aansien, ook zelf
aan het hof van Albregt, den graaf van Holland, waarbij hij
booven andere digters bijzondere gunst geniette. Deze Albregt
en zijnen zoon Willem VI schijnen bijzondere begunstigers
der digters geweest te zijn. Van de laatste vind men opge-
tekent dat hij een boek deet kopen, daer in stonden vele scone
sproken, die Willem van Ilillegaertberge gemaekt hadde.
38.
In een tans noch bestaand hantschrift, misschien wel het-
zelve , dat door den graaf Willem gekogt wiert, vint men
hondert en zeventien meestdeels oorspronkelijke digtstukken
van genoemde Willem. Om een staaljente geven en van zyn
digttrand en van de taal op het ijnde der veertienden eeuw,
zullen wy een gedeelten overneemen van St. Geerten Mitine.
In dat digtstuk wordt den oorsprong verhaalt van de gezond-
heits-drank of toost, zo als men heden zeit, dien oudtijts
benevens dien van den vriendschap van St. Jan in gebruik
waar, en die onzen jongen leezers waarschijnlijk bekent is
uit de vaderlandsche geschiedenis namentlijk uit de ontmoe-
ting van den graaf Floris V met Gijsbrecht van Amstel bij
welke geleegentheid de Graaf Floris, volgens Melis Stoke tee-
gen Gijsbrecht zegde:
•Princt van der hant mijn
Sinle rdienlen minne, enile vaerl wel!"
Naardat den digter de beschreiving heeft gegeeven van eene
wandeling , op dewelke hij in gepijns kwam , om materie te
vinden om in rijme te ontbinden, kwam hij op de inval om
gezegde feestdronk te bezingen , en begint aldus :
Nu meicket, jonghen mellen ouden.
En eic versta den rechten sin ,
Tis van Sinle (iheerlriiden min.
Die men glieefi drincken eiken man.
En daerloe die vrunscap van Sinl Jan,
Noch hiidens daechs le menigher slede;
Den vrouwen des gheiijcs oec mede.
Uil neemdi gheerne als men u biel;
Mei den rechlen sin en weelli niet: