Boekgegevens
Titel: G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan
Uitgave: Arnhem: J. Voltelen, 1863
Nijmegen: H.C.A. Thieme
3e verb dr; 1e dr. 1854
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6700
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202884
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   G.C. Mulder's Oefeningen tot toepassing van het geleerde in de Nederlandsche spraakkunst voor schoolgebruik
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
dracht van de laatste bewerking van de Rijmkronijk aan den
graaf Willem III, en in hetwelk hij denzelven ongevijnst de
plicht voorhoud.
Here van Hollanl, edele grave,
u hevel gheinaecl, leenre gave,
dit boec en dit vverc
Melis Stoke, u arme clerc,
Gode teren ende uwen live !
Wacht, dat niet verloren blive
de namen, die ghi hebt nu.
Ende doe dijs niet, dal segic u,
dat quader wort dan te voren
ende pine es al verloren.
Altoes pensei om de doghei
en ghevet als ghi gheven moghel
en wat ghi ghevet ende wien,
en den smeker suldi sien
^ in den mont, ende merke wale
waerom si seggen 'haren tale
ofl om gliewin is haer llateren.
Enz.
teren, ter eere; dijs, gij hel; pine es, de moeite is; pen-
set, denkt; doghet, deugd; ivale, wel; jlaleren (flattéren)
vleijen.
33.
Onder den schrijvers van den dertienden eeuw verdiend
ook Jan van Heelu of van Leeuwen genoemt worden. Dee-
zen moet een Brabander geweest hebben, die na de mening
van ettelijke zijn verblijf in eenen klooster hielt van de Bra-
bantsche stadjen Leeuwe, en dat hij moge geboortig geweest
hebbe uit het in de nabijheid geleegen dorpjen Ileele of Ilee-
lenbosch ; en van dezelve zijn naam ontleent hebben. Hij heeft
besongen in een uitgebrijt gedigt de overwinning Jan's des
eersten van Braband in de slag van Woeringen , en draagde
dit gedigt op aan Margereta van Englant; der bruit van Jan
de tweede, opdat zij met de heldedade van haar schoonpapa
ook de taal des lands mögt kennen leeren. Men betwijfeld eg-
ter of die opdragt wel van van Heelu is, en kend hem toe
aan een tweede bant, dien van Heelu's werk en die van an-
dere tot een geheel maakten en het alzoo aan de genoemden
vorstin opdroech. Hoe dit ook zijn mag zeeker zij het, dat