Boekgegevens
Titel: Mulder's leesboekjes
Deel: Negende stukje Landhuishoudkunde
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan; Brug, S.L.
Uitgave: Nijmegen: H.C.A. Thieme, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6681
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202879
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouw, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mulder's leesboekjes
Vorige scan Volgende scanScanned page

64
Denneboomen, populieren en elzen beminnen losse
zandgronden, doch komen slecht voort in vette kleiaarde.
Om te weten , welke soorten bij het aanleggen van
bosschen het meeste voordeel beloven, onderzoeke
men vooraf naauwkeurig, uit welke aardsoorten de grond
bestaat, zoowel de onderste als de bovenste lagen, zelfs
tot tamelijk groote diepte. Anders toch kunneji de
boomen aanvankelijk zeer welig groeijen, en later aan
het kwijnen geraken , wanneer de wortels dieper dringen
en in harde of onvruchtbare aardlagen komen.
Van steenen, wortels van vroeger gekapte boomen en
al, wat den groei kan verhinderen, moet de grond
vooraf gezuiverd worden, en ook op eene goede ligging,
afwatering, enz. gelet worden. Is de grond goed omge-
graven , dan maakt men reeds in den herfst de gaten ge-
reed, waarin men 'svoorjaars de boomen wil planten ,
opdat de aarde door vorst, sneeuw en regen vruchtbaar
gemaakt worde.
Voor boomgaarden neemt men niet alleen deze voorzor-
gen in acht, maar is de grond ligt en onvruchtbaar, dan
moet die vooraf bemest worden, vooral in en om de op-
geworpen gaten. Op die wijze kan men zelfs op heide-
velden boomgaarden aanleggen, zoo men de boomen des
te verder van elkander plaatst naar mate de grond
minder sterk is.
In zoodanige gronden plaatst men bij afwisseling
appel-, pere- en kerseboomen. Om in het vervolg meer
ruimte aan de twee eerste soorten te geven , kan men
na verloop van dertig jaar de kerseboomen wegnemen,
dewijl die vroeger/ dan de andere volwassen zijn.
Het grasgewas onder de boomen kan men eindelijk
gebruiken tot weiden voor jong vee, of men legt er aard-
beziën aan. Men kan bij sterke bemesting ook aardap-