Boekgegevens
Titel: Mulder's leesboekjes
Deel: Negende stukje Landhuishoudkunde
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan; Brug, S.L.
Uitgave: Nijmegen: H.C.A. Thieme, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6681
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202879
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouw, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mulder's leesboekjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
Les 31.
De boomkweekerij.
Zonder veel moeite kan de landman groot voordeel
trekken van boomgewas. Heeft hij bosschen en boom-
gaarden eenmaal goed aangelegd , dan vorderen zij veel
minder aanhoudende werkzaamheden , maar leveren op
hunnen tijd , als 't ware, onverwachte, groote voordee-
len , terwijl zij tevens den landbouw bevorderen door be-
schutting der velden tegen de guurheid des weders.
Zij verschaffen tevens door bladäarde of vergane boom-
bladeren eene soort van mest voor tuinen, akkers en
weiden. Voor ontginning van woeste gronden zijn zij
altijd zeer voordeelig,— inzonderheid ƒ om die ontginning
voor te bereiden.
Niet alleen de vruchten, ook het hout, de schors en
andere deelen der boomen, hebben voor de zamenleving
groote waarde, en kunnen alzoo aanmerkelijke winsten
opleveren. Fruit, timmerhout, brandstof, verwen en looi-
stof bij lederbereiding , gom , teer, zwam, enz. hebben
wij aan de boomen te danken.
Vele groote bosschen , die in vroeger tijden bestonden,
zijn allengs verdwenen, of er bestaan nog slechts geringe
deelen daarvan. Boschbranden en watervloeden waren
niet alleen oorzaken daarvan; maar men had bij toe-
nemende bevolking ook meerdere bouwgronden noodig ,
en roeide daarom velerwege de bosschen uit.
Om heidevelden tot vruchtbare akkers te maken heeft
men langdurige bemesting noodig, dewijl anders de hei-
deplanten niet zijn te verdelgen, en jaarlijks op nieuw
te voorschijn komen. Beplant men dien grond vooraf
met dennebosschen, dan bemesten zij dezen door verrot-
ting der afgevallen bladnaalden zoo aanmerkelijk, dat