Boekgegevens
Titel: Mulder's leesboekjes
Deel: Negende stukje Landhuishoudkunde
Auteur: Mulder, Gerard Christiaan; Brug, S.L.
Uitgave: Nijmegen: H.C.A. Thieme, 1861
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 6681
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202879
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: landbouwwetenschappen: algemeen
Trefwoord: Landbouw, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Mulder's leesboekjes
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
groeijen, eer men het maait, om er hooi van te maken.
Hiermede bedriegt men zich : want, hetgeen dan ver-
dort en droogt, heeft zeer weinig waarde, — is aan
stroo gelijk.
Meer hooi bekomt men dan evenmin, en de beste
kracht is er van onderen uit, als men boven nog meent
te winnen. Wie behoorlijk vroeg maait, bekomt beter
hooi, en ook geene mindere hoeveelheid. Altijd is het
raadzaam, kort bij den grond af te maaijen : want de
laag is daar het dikst en meest gesloten , en het nagras
wordt dan des te beter en zuiverder.
Wil men driemaal van hetzelfde land hooijen, dan
moet er reeds in Mei gemaaid worden. In Junij doet
men dit, om tweemaal te hooijen. En zoo men dat
slechts eenmaal wil doen, dan is het vroeg genoeg ia
het laatst van Junij of in het begin van Julij.
Het land moet sterk bemest zijn, om veelmalen er
van te hooijen. Dit laatste put den grond uit, en het
etgroen heeft dan weinig waarde.
liij betrokken lucht en tamelijke koelte van wind , be-
komt men beter en krachtiger hooi, dan bij stilte en
feilen zonneschijn. Alleen op den laatsten dag is het
goed , heldere lucht en zonnewarmte te genieten ; — ove-
rigens is het voordeelig, zoo de dauw het hooi bevoch-
tigt, terwijl het op zwaden ligt en gekeerd wordt, eer
het in hoopen komt, om binnengebragt te worden.
Wordt het hooi te vochtig of te onrijp binnengehaald,
dan loopt het groot gevaar, van te erg te zullen broeijen.
Is men daarvoor bevreesd, dan bindt men wel eene mand
in 't midden van den hoop aan een touw, om die telkens
op te hijschen of te laten zakken, en alzoo eenen weg
voor de lucht open te houden.
Broeit het te sterk , dan onderzoekt men met deijze-