Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 82 :)
koopen, en zij, die overblijven, sterven vati
honger, of worden door de werkbijen, op ze-
keren tijd, gezainenlijk aangevallen en vermoord.
De werkbijen zijn de kleinste van alle, en
hebben, even gelijk de meeste onder de wes-
pen, mieren en lermiten, geheel geene geslachts-
werktuigen ; zij bezitten lange vleugels, een
glad gebit, zwarte pooten, en een bijzon-
der groefje aan de achterschenkels, waarin zij
het bloemstof opnemen en overbrengen. Deze
bijen moeten al het werk verrigten, dat tot de
verzameling van honig en was, het bouwen
der cellen en het verzorgen van het gebroed-
sel noodig is.
De koningin is niet alleen de bestuurster der
maatschap )ij, maar tegelijk het eenige wijfje,
en dus de moeder van geheel het volgende ge-
slacht. Van de mannetjes zijn er omstreeks ze-
ven honderd in een' grooten korf, doch van de
geslachtlooze werkbijen wel tien duizend.
De arbeid, welke door de werkbijen verrigt
wordt, is onderling verdeeld; sommige bouwen
de zoo regelmatige zeshoekige cellen; andere,
voornamelijk de jonge, halen honig en was,
somwijlen wel een halfuur ver; weder andere rei-
nigen de woning, en werpen er de doode bijen en
andere onzuiverheden uit; en zoo eenig ligchaam
haar te zwaar is, overdekken zij het met was,
opdat geene verrotting hunne zuivere woning be-
smette.
Het nektar-vocht der bloemen wordt in een
bijzonder ingewand bij de bijen tot honig be-
werkt, welken zij in de cellen alsdan weder van
zich geven. De cellen voor het gebroedsel zijn
ruimer cn grooter gebouwd, dan die voor den
honig bestemd zijn, en wanneer het jonge ge-
broedsel, na verloop van omstreeks twintig da.gen,
■tot volwassenheid gekomen is, scheidt het zich,