Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 08 )
-nen zich bewegen, hun leven lang door ware
kieuwen ademen en in het water wonen, te
beschouwen.
De kieuwen vervangen bij de visschen volko-
men de plaals der longen; zij liggen aan beide
zijden van den kop, en zijn met een ontelbaar
aantal der allerfijnste bloedvaten doorweven. De
ademhaling, welke de visschen zoomin als an-
dere dieren ontberen kunnen, geschiedt bij hen
door dé in het water begrepene lucht langs den
mond in de kieuwen te brengen; zoodat zij het
water door den mond innemen, en door de kieuw-
openingen weder uitgeven.
De kop en de romp li?:gen bij de visschen
onmiddellijk aan elkander, terwijl het ligchaam
bij meest alle met schubben bedekt is, die met
een slijm overlrokken en van eene oneindige ver-
scheidenheid in gedaante, kleur en schoonheid
zijn. Over het geheel is de gedaante der vis-
schen veel meer onderscheiden, dan die der voor-
gaande dieren.
De werktuigen van beweging zijn de vinnen.
De borstvinnen dienen om - voort ie roeijen; de
slaart, die bij alle regtstandig is, dient zoowel
als een roer om te sturen, als om zich met
eene ^rbote snelheid voort te stooten. Door de
zwemblaasjes kunnen de visschen op eene ge-
makkelijke wijze klimmen of zinken; want door
do lucht er in zamen te persen, worden zij
zwaarder, en door ze meer ruimte te geven, ligter.
De visschen woorden onderscheiden in zout-
en zoet-walervisschen; de meeste, ten minste,
die in de zee leven, zijn nachtdieren, zoodat
zij des daags rusten. Ook heeft men trekvis-
schen, daar vele, gelijk' de haring en de
zalm, op zekere tijden van ])laats verande-
ren, De visschen zijn alle vleeschvrelende die-
ren: vele echter nuttigen ook de voortbreng-