Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 47 )
ncn, cn wel gewoonlijk vier, drie naar voren
cn een naar achteren; of ook wel twee voor-
waarts cn twee achterwaarts gekeerd, gelijk cr
algeaieen hierin bij de vogelen eene groote ver-
scheidenheid heerscht. De teenen der watervo-
gelen zijn door een zwemvlies verbonden.
Zeer vele vogelen veranderen op zekere jaar-
getijden van woonplaats, hetzij ze slechts ee-
nige mijlen ver in do naburige streken onv
zwerven, en spoedig terugkeeren, welke men
sU-ijkmgels noemt; hetzij dat zij een geheel
jaargetijde in een ander klimaat doorbrengen, ge-
lijk de zwaluwen, reigers, ooijevaars, kievit-
ten , die tegen den herfst vertrekken en des
voorjaars eerst terugkeeren; deze worden trek-,
vogels geheeten. — Ook bij vogels, die in kooi-
jen opgesloten zijn, ontdekt men, door hunne
onrustigheid om dien lijd, dezen zoo zeldza-
men trek, ofschoon zij nog nooit die reize me-
de ondernomen hebben.
Doordien geene vogels tanden bezitten, zoo
moeten zij hun voedsel of met den bek in stuk-
ken bijlen, of geheel doorslikken. Doch bij
die vogels, welke de graankorrels geheel door-
shkken, komen deze niet terstond in de maag,
maar worden eerst in de voormaag of krop ge-
weekt , en alsdan allengs aan dc maag over-
gelaten , welke bij deze dieren verbazend spier-
krachtig en sterk is, daar zij hazelnoten
en olijfpitlGn verbreken, en geldstukken zoo
dun en glad als papier afslijten. De steentjes,
de kalk, het zand, welke ook vele vogels
opnemen, dienen om de graankorrels te doo-
ien , van hare levenskracht te berooven, en
derzelver verlering te bevorderen. Do vleesch-
vretende vogels, gelijk gieren, valken, uilen,
en dergelijke , kunnen dc beenderen en hel
'laar der door hen opgcslikle dieren niet ver-