Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 32 )
van het dierenrijk, is hij het ook van hel groei-
jend en delfstofl'elijk rijk. Hij dwingt den grond
om hem zijne gewassen op te leveren; hij ver-
menigvuldigt en volmaakt die naar zijne ver-
kiezing; hij verdeelt de goederen der aarde aan
allen; hij plant de gewassen van het eene we-
relddeel in het ander over.
Hij is de Heer en Meester van het vuur; al-
leen hij weet het te onderhouden, en lot dui-
zend gewiglige einden aan te wenden. Hij ge-
biedt over de hoofdstoffen dezer planeet; door
luchtbollen verheft hij zich in de hooge gewes-
ten van den dampkring; door schepen bevaart
hij de groole wateren; hij daalt neder in afgron-
den , haalt de ertsen uit de ingewanden der aar-
de en bewerkt ze naar zijne verkiezing.
Welk oen voortreffelijk wezen is dus de mensch
naar ziel en ligchaam! — welke hoo^e bedoelin-
gen moet de Godheid met hem niet lebben! —
hoe moet hij dus ook trachten, steeds aan zij-
ne verhevene waarde door edele bedrijven te
beantwoorden !
VRAGEN.
Is de mensch door de eigenschappen tan zijn
ligchaam de //m* der Schepping op deze aarde? —
Waardoor wordt hij dit ? — Welke vermo-
gens heeft zijn geest? — Komen ook de
voortreffelijkheden tan ziel en ligchaam met elk-
ande?' otereen (*j ? — Waardoor overwint de
(•) Men ontivikkelc de jeugd dit verder, en doe haar
door voorheelden zien, hoe de ziel van den mensch in
het ii«;ehaam van een ender dier, en de ziel van zulk een
dier in het ligchaam van den mensch, wanschepselen zou-
den vormen, juist omdat Leide geenszins voor elkander
geschikt en berekend waren. — Wat zou ons, h. v., een
uitvindende geest baten, zoo onze handen en voeten aan
de hoeven van een paard gel^k waren? ^