Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
( 2(i )
hel ^eheele ligchaam verspreid, moeien de spie-
ren m beweging brengen, en door de vijf zin-
tuigen, die de mensch heeft, haar kondschap
van alles mededeelen. De hersenen zijn, in e-
venredigheid tot andere dieren, meestal bij den
mensch veel meer: een os van negen honderd
pond heeft slechls één pond, en een mensch
van honderd vijftig pond ongeveer vier pon-
den. Zijne zenuwen zijn zeer dun. De hoeveel-
heid bloed kan bezwaarlijk worden bepaald;
volgens haller's middelevenredige bepaling zal
het drie en dertig pond bedragen. Het bloed is
in eene onophoudelijke beweging, en doorstroomt
geheel het ligchaam. Het hart is die sterkwer-
kende spier, welke bij elke klopping twee on-
een door de slagaderen voortsluwt, wanneer het
door de aderen terugkeert. Het bloed komt in
de longen in aanraking met de lucht, waarvan
wij elke minuut achttien malen telkens veertig
teerlingduimen inademen. Het neemt dan van de
luchtzuurstof en warmtestof op, waardoor het
prikkelend wordt, om de linkerkamer van het
hart, waartoe het dan wederkeert, tot zamen-
trekking te brengen, en geeft gelijkelijk kool-
en waterstof af, die met de overige lucht weder
wordt uitgeademd. De mensch heeft twee en
derlig tanden, namelijk acht snijtanden, vier
hondstanden en twintig kiezen. Zijn gebit en
de gesteldheid zijner maag maken hem tot een
alles-etend dier.
VRAGEN.
Door hoeteel beenderen verkrijgt het mensche-
lijk ligchaam sterkte en vastigheid? — Hoeveel
zijn er aan het hoofd en den hals? — Hoe
teel aan de armen? — Hoeceel aan den romp? —