Boekgegevens
Titel: Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Auteur: [niet beschikbaar]
Uitgave: Leyden: D. du Mortier en zoon
Deventer: J.H. de Lange, 1848
Maatschappij: Tot Nut van 't Algemeen
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5671
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202819
Onderwerp: Biologie: natuurlijke historie
Trefwoord: Natuurlijke historie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Korte natuurlijke historie, in leeslesjes voor de jeugd: een schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
{ 5 )
ding, namelijk, van hunnen wasdom en groei,
en van hunne zamensleliing, zich in twee hoofd-
soorten verdeden. De ligchamen van de eene
soort zijn ahoos van dezelfde gelijksoortige ligcha-
men voortgekomen, zoodat zij lot een eerste lig-
chaam, dat door Gon geschapen, en aan hen
volkomen gelijk is, kunnen opklimmen. — Zoo
zijn boomen van boomen, vogels van vogels,
menschen van menschen, visschen van visschen,
voortgekomen; — en wel ieder van eene gelij-
ke soort; de eikenboom van een^ eik, de musch
van eene musch, de snoek van een' snoek, enz.
Ten tweede nemen zij velerhande vreemde
deden lot voedsel op, maken die zich eigen,
en veroorzaken daardoor hunnen wasdom door
uitzelling, — Zoo gebruiken alle dieren voedsel,
dal zij door den mond innemen, alle planten
insgelijks, daar zij het door de wortels uil den
grond, en door bladen uil de lucht opslur-
pen ; en door dit voedsel worden zij door inwen-
dige uitzetting grooter. — Deze beide eigen-
schappen vooronderstellen van zelve eene bijzon-
dere zamenstelling, zoodat deze ligchamen uit
bijzondere en eigensoortige deelen, welke lot ze-
kere einden dienen, zekere verrigtin^en hebben,
en waarvan het eene deel om het andere nood-
zakelijk is, bestaan moeten; gelijk uit vaten,
aderen, vochten, bekleedsels; — terwijl de kracht,
waardoor deze deelen hunne bijzondere verrig-
lingen volbrengen, levenskracht geheelen wordt.
Alle ligchamen, waarbij nu deze drie vereisch-
ten plaats hebben, worden bewerk fuifde /licha-
men genoemd; terwijl al de overige, welken
dit ontbreekt — die geene zekere gelijksoortige
wezens vooruit vooronderstellen — die geen voed-
sel opnemen — niet door uilzetting groeijen, —
die geene bijzondere aderen, valen, vliezen,
waarvan de eene oni de andere noodzakelijk is,