Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Tweede stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1862
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202807
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
50
mide 5.99 vierk, palm bedraagt; die vao haar bovenvlak
2,89 vierk. palm , en hare hoogte 0,57 el; hoeveel bedraagt
dan de hoogte der geheele piramide en die van het afge-
sneden stuk (t5 263 en § 264)?
38. Het oppervlak eener regelmatige vierhoekige piramide be-
draagt 4(1+1/10) vierk. cl. Indien dit ligchaam 3 e! hoog
is, hoe groot zijn dan de ribbe vau het grondvlak en de op-
staande ribbe (§ 266)?
39. Het oppervlak te berekenen eener repelmatige vierhoekige
piramide, die 3 palm hoog is, wanneer hare opstaande ribbe
5 palm bedraagt (§ 266).
40. Het oppervlak te berekenen eener regelmatige driehoekige
piramide, indien de ribbe van haar grondvlak als eenheid
wordt aangenomen, terwijl de opstaande zijvlakken ieder een
hoek van 30® met het grondvlak maken (§ 266).
4(. Wanneer de ribbe van hel grondvlak der in 't vorige vraag-
stuk bedoelde piramide gegeven is: vraagt men de ware
grootte (*) van hare opstaande ribbe te construeeren (N®. 40).
42. De ware grootte le construeeren der standhoeken op de op-
staande ribben in de pas bedoelde piramide (N®. 40).
43. Van eene regelmatige zeshoekige piramide heeft het grond-
vlak eenen inhoud van 6|/3 vierk. el, terwijl het geheele
oppervlak 6(1/3 + 1/7) vierk. el bedraagt. Men vraagt de
hoogte van dit ligchaam te berekenen (§ 266).
44. Van eene regelmatige vijfhoekige piramide zijn de ribbe van
het grondvlak en de hoogte gegeven. Indien nu het opper-
vlak van dit ligchaam volgens de opstaande ribben wordt
doorgesneden, terwijl vervolgens de opslaande zijvlakken om
de ribben van het grondvlak op het verlengde van 't grond-
vlak worden neergeslagen, vraagt men de figuur {ontwikke-
ling der piramide) te construeeren, welke aldus ontstaat
(§ 266).
45. Van een regelmatig driehoekig prisma is de hoogte gelijk
aan de ribbe van 'tgrondvlak. Indien nu het oppervlak
(*) JVare ijmotte, ter ondcrsclicidin{j van dc schijnbare grootte, welke men
daaraan in eenu peispectivischc feekcniiig gcc-ft.
k