Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Tweede stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1862
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202807
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
8
vlak eene lijn te trekken, die in het gegeven vlak ligt, cn
Je gegeven lijn onder een gegeven hoek kruist (§ 229).
22. Door een gegeven punt, gelegen buiten eene gegeven lijn,
eene lijn te trekken , die de gegevene regthoekig kruist,
zoodanig dat de heide elkaar kruisende lijnen een gegeven
koristen afstand van elkaïir hebben (§ 228 en § 229).
23. Wanneer men de ribben eens drievlakkigen hoeks door den
top heen verlengt; dan zijn deze verlengden de ribben eens
nieuwen drievlakkigen hoeks, die gelijk en gelijkvormig is
met den eersten, iMen vraagt dit te bewijzen (t^ 236).
24. Wanneer twee zijvlakken eens drievlakkigen hoeks onder-
ling gelijk zijn, en men brengt door hunne gemeenschappe-
lijke ribbe een vlak loodregt op het tegenoverstaande zijvlak;
dan verdeelt dil den drievlakkigen hoek in twee andere,
die onderling gelijk en gelijkvormig zijn. Men vraagt dit
te bewijzen (g 236).
25. Wanneer twee zijvlakken eens drievlakkigen hoeks onderling
gelijk zijn; dan heeft ditzelfde met de overstaande stand-
hoeken plaats, en omgekeerd. Men vraagt dit te bewij-
zen (N«. 24).
26. Wanneer alle drie de zijvlakken eens drievlakkigen hoeks
onderling gelijk zijn ; dan heeft hetzelfde met de drie stand-
hoeken plaats, en omgekeerd. Men vraagt dit te bewij-
zen (N". 25).
27. Wanneer twee zijvlakken eens drievlakkigen hoeks onderling
ongelijk zijn; dan zijn zulks ook de overslaande standhoeken,
en bepaaldelijk staat alsdan tegenover de grootste dezer zijden
een grootere standhoek dan tegenover de kleinste, en omge-
keerd. Men vraagt dit te bewijzen (N®. 25).
over de veelvlakkige ligchamen.
§ 242 — § 269.
28. Wanneer men door elke der opstaande ribben eener wille-
keurige veelhoekige piramide een vlak loodregt op heigrond-
vlak brengt; dan snijden al die vlakken elkaèr volgens ééne
lijn. Men vraagt dit te bewijzen (§ 243).