Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Tweede stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1862
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202807
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
VIII. I N U O ü D.
gen , Ioodregt op de eerstgenoemde lijn ; bovendien
zullen deze vlakken elkaAr regthoekig snijden. .Bladz, 23.
§ 219. Bepaling. Evenwijdige vlakken zija dezulken, die
hoe ver ook verlengd, elka&r nimmer kunnen
snijden.................................. — 23.
Gevolg. Wanneer twee vlakken evenwijdig zijn,
zal elke lijn, die in hel eene vlak ligt, even-
wijdig luopen met het andere................ — 23.
§ 220. Stelling. Twee vlakken, die bodregl op eene
zelfde lijn slaan, zijn evenwijdig............. — 23.
g 221. Stelling. Wanneer twee evenwijdige vlakken
door een derde gesneden worden, dan zijn de
doorsneden evenwijdig..................... — 23.
§ 222. Stelling. Elke lijn , die Ioodregt staat op één van
twee evenwijdige vlakken, staat ook Ioodregt op
het andere........................ ..... — 23.
Gevolgen. I'*. Wanneer eenige vlakken evenwij-
dig zijn met een zelfde vlak, dan zijn zij ook
onderling evenwijdig................... — 24.
2®. Door <'lk punt, gelegen buiten een gegeven vlak,
kan altijd één, maar ook niet meer dan één vlak
gebragl worden, evenwijdig met het gegevene.. — 24.
§ 223. Stelling. Alle loodlijnen, welke men tusschen twee
evenwijdige vlakken kan trekken, zijneven lang. — 24.
Gevolg. Wanneer twee vlakken evenwijdig zijn,
dan zijn alle punten van het eene op gelijke af-
standen van het andere vei wijderd, en deze af-
standen zijn wederom gelijk aan die, waarop alle
punten van hel Uatstgenoemde vlak van het eerste
verwijderd zijn.......................... — 24.
§ 224. Bepaling. Door den afstand van twee evenwij-
dige vlakken verstaat men de lengte der loodlijn ,
die uit eenig punt van het eene vlak op hel an-
dere wordt neergelaten.................. . . — 25.
§ 225. Stelling. Twee vlukken zijn evenwijdig, wan-
neer twee lijnen, die elka&r in liet eene vlak
snijden, evenwijdig zijn met twee lijnen, die
elkaar in het andere vlak snijden.......... — 25.
Aanmerking. Men bedenke, dal de stelsels van
lijnen elkaïir in elk vlak snijden moeien....... — 25.
§ 226. Bepaling. Twee lijnen kruisen elkadr^ wanneer zij ,
zonder evenwijdig te zijn , elkjiar nimmer kunnen
ontmoeten........................... — 26.
Gevolg. Alen kan nooit een vlak door twee elkaèr
kruisende lijnen brengen.................... — 26.
§ 227. Stelling. Wanneer twee lijnen elkaar kruisen ,