Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Tweede stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1862
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202807
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
INHOUD. VII.
loodregt, staan op een derde vlak ; dan slaat ook
hunne gemeene doorsnede loodregt op dat derde
vlak...................................Bladz. 20.
4". Wanneer twee vlakken elkaèr snijden , dan zal
elk vlak, dat loodregt op beide slaat, ook lood-
regt staan up hunne gemeene doorsnede....... —
§ Bepalingen. Door de projectie van een punt op
een vlak verstaat men den voel der loodlijn , uit
dat punt op hel vlak neèrgelaien. Het vlak heet
projectie-vlak; de loodlijn projecleerende lijn van
het punt.............................. — 21.
2". Door de projectie van eene lijn op een vlak
verstaat men de aaneenschakeling der projectiiin
van alle punten van die lijn............... — 21.
Gevolgen. De projectie eener regte lijn op een
plat vlak, waarop zij niet loodregt staat, is eene
regte lijn................................ — 21.
De projectie eener regte lijn op een vlak ,
waarop zij loodregt staat, is een enkel punt, en
wel het voelpunt der bedoelde loodlijn......... — 21,
I 245. Bepaling. Hel vlak, dal door eene gegeven lijn
loodregt op een gegeven projeclie-vlak gebragt
wordt, en welks doorsnede met het gegeven vlak
de projectie der bedoelde lijn is, noemt men
hel projecteerend vlak van de gegeven lijn..... — 21.
§ 216. Bepaliwg. Door den hoek, dien eene gegeven lijn
met een gegeven vlak maakt, verslaat men den
hoek , dien zij met hare projectie op dat vlak
maakt.................................... — 21.
§ 217. Stelling. De hoek , dien eene schuine lijn met ren
vlak maakt, is kleiner dan elke andere hoek , dien
deze lijn maakt met eene andere lijn, door haar
voetpunt in dat vlak getrokken............... — 21.
§ 218. Stelling. Wanneer men in eenig vlak, door hel
voetpunt eener lijn die schuin op dat vlak slaat,
eene loodlijn op de projectie der schuine lijn
trekt, dan slaat zij ook loodregt op het projec-
teerend vlak der schuine lijn , en derhalve even-
eens op de schuine lijn zelve................ — 22.
Gevolgen, i". Indien eene lijn in eenig vlak
loodregt getrokken is op eene schuine lijn, dan
zal zij ook loodregt slaan op het projecteerend
vlak , en derhalve op de projectie der schuine lijn. — 22.
2'. Wanneer een vlak door eene lijn gaat en lood-
regt staat op eene andere lijn ; dan kan men door
de laatstbedoelde lijn ook altijd een vlak bren-