Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Tweede stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1862
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5272
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202807
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page

mig is met de eerstbedoelde. De aaneenschakeling van alle on-
eindig verlengde regte evenwijdige lijnen AA', BB', CC', enz. vormt
nu een gebogen vlak, dat in 't algemeen den naam van cilinder-
vlak draagt, en de ligchamelijke ruimte, begrepen tusschen dit
cilindervlak en de beide platte vlakken , noemt men een cilinder.
Is hier de kromme lijn ABCDEFGA een cirkel; dan is het aldus
gevormde ligchaam een cirkeloormi/je cilinder, en deze wordt
wederom regt of scheef genoemd, naar gelang de beschrijvende
lijnen AA', BB', CG', enz. al of niet loodregt ap het grond- en
bovenvlak staan.
Uit het hier gezegde blijkt tevens, dat de kegels en cilinders,
alleen wanneer zij regt en cirkelvormig zijn , tot de klasse der
omwentelings-ligchamen behooren.
§ 294. Bepaling. Daar wij ot)s met geen andere dan met regte
cirkelvormige kegels en cilinders zullen inlaten, zullen wij deze.
bij hetgeen verder volgt, blootweg met den naam van kegel of
cilinder bestempelen, zonder er meer bij uit te drukken, dat wij
bepaaldelijk de regte cirkelvormige en geen andere bedoelen.
§ 295. Bepalingen. 1°, Wanneer men om het grondvlak van oenen
Fiiï- kegel TbB (Fig. 234) een regel-
matigen veelhoek GDEFGII be-
schrijft, en dezen tot prondvlak
doet strekken aan eene regelmatige
piramide, die n»et den kegel een
gemeenschappelijken top T heeft;
dan noemt men deze eer.e omgeschri -
ven regelmatige piramide van den
kegel.
Daar de ribben van haar grond-
vlak ieder slechts één punt gemeen
hebben met den omtrek des cirkels ,
die den kegel tot grondvlak strekt;
zoo zal elk der opstaande zijvlakken
van de piramide, die bovendien
alle met den kegel een gemeenschappelijken top hebben, m<-t het
kegelvlak niet anders dan ééne lijn gemeen hebben, en wel be-
paaldelijk die lijn, welke den top des kegels vereenigt met elk der
raakpunten I, K , L, enz. \i\\i dezer lijnen Tl, TK , TL, enz. is
dus tevens eene schuine zijde van den kegel en de hoogte der