Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
tijn aan Iwee hoeken eens anderen driehoeks, is ook de derde koek
des eenen gelijk aan dien des anderen.
3°. Hetzelfde geldt, wanneer de som van twee hoeken eens driehoeks
gelijk is aan de som van twee hoeken eens anderen.
4°. Een driehoek kan niet meer dan één reehten of één stompen
hoek hebben; hij kan ook niet te gelijker tijd een rechten en een
stompen hoek hebben, dus: ten minste twee der hoeken eens driehoeks
zijn altijd scherp.
§ 54. Bepalingen. Men noemt een driehoekwanneer
zijne drie zijden onderling gelijk zijn; gelijkbeenig, wanneer slechts
twee zijner zijden onderling gelijk zijn; ongelijkzijdig, wanneer de
zijden alle drie onderling in grootte verschillen.
De twee gelijke zijden eens gelijkbeenigen driehoeks worden zijne
opstaande [zijden genoemd: de derde zijde heet zijne basis. De
benaming basis wordt ook bij andere driehoeken gebezigd; men
bestempelt dan met dezen naam eene der zijden naar welgevallen.
Den hoek over de basis noemt men tophoek; in een gelijkbeenigen
driehoek is dit dus de hoek, door de opstaande zijden gevormd.
Het hoekpunt des tophoeks heet de top des driehoeks.
De beide andere hoeken heeten hoeken aan de basis.
De loodlijn, uit den top op de basis neêrgelaten, noemt men
de hoogte des driehoeks.
Men noemt een driehoek scherphoekig, wanneer alle drie zijne
hoeken scherp zijn; stomphoekig, wanneer eene zijner hoeken stomp
is. De scherp- en de stomphoekige driehoeken zijn begrepen in de
algemeene benaming van scheefhoekige driehoeken, in onderscheiding
van die, welke een rechten hoek hebben en rechthoekig genoemd
worden.
In zulk een rechthoekigen driehoek noemt men de zijde over den
rechten hoek, de schuine zijde of hypotenusa; de beide andere zijden
noemt men de rechthoekszijden.
Gevolg. Be twee scherpe hoeken eens rechthoekigen driehoeks zijn
altijd eikaars complementen.
Immers de som der drie hoeken is blijkens § 53 twee rechte of 180°;
derhalve blijft er, na aftrek van den rechten hoek, voor de som der twee
scherpe nog één rechte of 90° over.
§ 55. Stelling. Be loodlijn, die in een gelijkbeenigen driehoek
teit den top op de basis valt, deelt basis en tophoek middendoor.