Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
BEGINSELEN DER MEETKUNST.
INLEIDING.
§ 1. Elk voorwerp, dat wij met onze zintuigen kunneu waar-
nemen, moet zieii ergens bevinden, en derhalve eene plaats, of
ruimte innemen. De verzameling van alle denkbare plaatsen, hetzij
ze door voorwerpen Ingenomen zijn of niet, noemt men de on-
bepaalde ruimte. Deze heeft klaarblijkelijk geen grenzen; want had
zij die, dan zou men zich plaatsen buiten die ruimte kunnen
denken; derhalve zou zij niet de rerzameling van alle denkbare
plaatsen zijn.
§ 2. De lichamen, in de natuur nemen ieder voor zich een be-
grensd deel dezer onbepaalde ruimte in. De bepaalde ruimte nu,
door eenig lichaam ingenomen, heeft noodzakelijk drie afmetingen,
welke men door de benamingen, lengte, breedte en hoogte, oi dikte
onderscheidt.
§ 3. De grenzen der lichamen noemt men vlakken. Als grenzen
der lichamen bestaan zij werkelijk; doch zonder behulp der licha-
men kunnen ze niet stoffelijk vervaardigd worden. Immers in de
hier gegeven bepaling der vlakken ligt van zelf opgesloten, dat
zij geen dikte hebben, en ofschoon het den mensch wel mogelijk
is iets te vervaardigen, dat zeer geringe dikte heeft, b. v. een blad
dun postpapier, — zonder dikte kan eenig stoffelijk voorwerp op
zich zelf niet bestaan. Daar wij in onze verbeelding de dikte van
een lichaam moeten wegdenken, ten einde te geraken tot de voor-
stelling van een vlak; zoo hebben de vlakken slechts twee afmetingen:
lengte en breedte.
De gezamenlijke grenzen van een lichaam noemt men zijn opper-
vlak.
I. 1