Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXVI. 1 N li O U t).
2». De omtrekken der omg. regelm. veelhoeken wor-
den aanhoudend kleiner, doch blijven steeds
grooter dan de omtrek des cirkels;
3". Door de verdubbeling van het aantal zijden lang
genoeg voort te zetten, zal men altijd kunnen zor-
gen, dat de verschillen tusschen de omtrekken
der in- en omschr. veelhoeken van hetzelfde
aantal zijden en den omtrek des cirkels minder
bedragen dan eenige bepaalde grootheid, hoe klein
ook genomen............Bladz. 102.
§ 154. Stelling. De lengte van den omtrek eens cirkels
wordt gevonden, door zijn straal met een stand-
vastig getal te vermenigvuldigen, en dit getal
kan bij benadering met een onbegrcnsden graad
van nauwkeurigheid bepaald worden.....— 104.
Gevolgen. 1°. Men kan ook den omtrek vinden door
de middellijn met het getal tt te vermenigvuldigen. — 105.
2». De omtrekken der cirkels verhouden zich als
hunne stralen of middellijnen.......— 105.
3°. De lengte van een boog staat tot die van den
omtrek deszelfden cirkels in reden, als het aantal
graden van dien boog tot 360.......— 105.
4°. Wanneer twee van de drie grootheden r, / en ^
gegeven zijn, kan men de derde berekenen. . . — 105.
Over ile iiilionileii der veellioekcii en cirkels, § 155—
§ 174................— 106.
§ 155. Bepaling. Door den w/joai eener vlakke figuur ver-
staat men de grootte harer vlakte-uitgebreidheid. — 106.
Gevolg. ïwee figuren kunnen zeer verschillende
gedaanten en nochtans denzelfden inhoud hebben, — 106.
§ 156, Bepaling. Piguren, die inden zoo even verklaarden
toestand verkeeren, noemt men onderling gelijk. — 100.
§ 157. Wekkstük. De grootste gemeene maat te vinden
van twee rechthoeken, die gelijke basissen hebben. — 100.
§ 158. Stelling. Twee rechthoeken, die gelijke basissen
hebben, zijn evenredig met hunne hoogten. . . — 107.
Gevolg. Twee rechthoeken, die gelijke hoogten
hebben, zijn evenredig met hunne basissen. . . — 107.
§ 159. Stelling. Twee willekeurige rechthoeken zijn
samengesteld evenredig met hunne basissen en
hoogten..............— 107.
Gevolgen. 1". Willekeurige rechthoeken zijn even-
redig met de producten hunner basissen en hoogten. — 108.