Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
•lfi7
373. üp de grootste zijde eens gegeveti stomplioeliigen drieiioeks
als hypotenusa een reehthoekigeu driehoek te besehrijven ^
wiens inhoud gelijk is aau dien des gegeven driehoeks.
374. Op elke zijde eeus gegeven driehoeks als basis een gelijk-
beenigen drieiioek te beschrijven, die evenveel inhoud heeft
als de gegevene.
375. Drie punten gegeven zijnde, vraagt men een vierde punt te
construeeren, waaruit men de drie gegeven punten onder
gelijke hoeken ziet.
376. Een rechthoekigen driehoek te beschrijven, wanneer gegeven
zijn de stukken, waarin de hypotenusa door de loodlijn uit
het overstaande hoekpunt verdeeld wordt.
377. Een driehoek te beschrijven, waarvan gegeven ziju dc basis,
de tophoek cn de straal des ingeschreven cirkels.
378. Een rechthoekigen driehoek te besehrijven, waarvan gegeven
zijn de hypotenusa cn de straal des ingeschreven cirkels.
379. Twee punten buiten een cirkel gegeven zijnde, vraagt men
op den omtrek van dezen cirkel een puut te bepalen, waaruit
men de gegeven punten onder een gegeven hoek ziet.
380. Binnen een gegeven driehoek een punt te bepalen, zoodanig,
dat als men het met de hoekpunten vereenigt, de driehoek
iu drie gelijke deelen verdeeld is.
381. Men vraagt de meetkunstige plaats te bepalen vau de mid-
delpunten van alle koorden van gegeven lengte, die in een
gegeven cirkel getrokken kunnen worden.
382. Door een gegeven punt eene lijn te trekken, zoodanig, dat
een gegeven cirkel van deze lijn eene koorde van gegeven
grootte afsnijdt.
383. Er zijn twee buiten elkaar gelegen cirkels gegeven : nu vraagt
men aan den eersten eene raaklijn te trekken, zoodanig, dat
de koorde, welke de tweede cirkel van deze lijn afsnijdt,
eene gegeven lengte hebbe.
384. Er zijn twee buiten elkaar gelegen cirkels gegeven; nu vraagt
men eene lijn te trekken, zoodanig, dat de koordi;n, door die
cirkels van deze lijn afgesneden, elk eene gegeven lengte hebben,
385. Wanneer men den tophoek eens driehosks middendoor deelt,
cn op dezelfde wijs met het aanliggend supplement van dezen
tophoek handelt, dan snijden de deellijnen de basis en haar
verlengde zoodanig in twee punten, dat de cirkel, die de