Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
159
beschreven op zijne opstaande zijde, vermeerderd met den
rechthoek, die dc basis en hoogte des driehoeks tot zijden
heeft: men vraagt dit te bewijzen (§ IGO).
269. De basis en hoogte eens gelijkbeenigen driehoeks verhouden
zich als de getallen 1 en 3, terwijl zijn inhoud 36 diP.
bedraagt; hoe lang is zijne opstaande zijde? (§ 162).
270. Eene formule te vjnden ter berekening van den inhoud van
een parallelogram, wanneer zijne basis = b, en zijne diago-
nalen = a en c gegeven zijn (§ 161 en § 162).
271. Wanneer twee zijden eens driehoeks gelijk zijn aan twee zijden
eens anderen, terwijl de ingesloten hoek in den eersten het
supplement is van dien in den tweeden, dan hebben die drie-
hoeken gelijken inhoud: men vraagt dit te bewijzen (§ 162).
272. Den inhoud van een rechthoekig trapezium te berekenen, wan-
neer de evenwijdige zijden 2 en 7 M. lang zijn, terwijl de
schuine zijde het dubbel is der rechthoekzijde (§ 163).
273. Den inhoud van een gelijkbeenig trapezium te berekenen,
wanneer de evenwijdige zijden 3 en 8 M. lang zijn, terwijl
de hoeken aan dc basis 72°, of ix360° bevatten 163).
274. Den inhoud van een willekeurig trapezium uit te drukken in
zijne vier zijden (N°. 153 en § 163).
275. Eene formule te vinden ter berekening van den inhoud van
het trapezium ABCD (Fig. 141), wanneer gegeven zijn: de
basis AB = i, de daarmee evenwijdige zijde BC = a, de
schuine zijde CD = i, en de diagonaal AC = d (§ 163).
276. Op elk der zijden van een gegeven trapezium als basis een
gelijkbeenigen driehoek te beschrijven, gelijk aan het trape-
zium (§ 162 en § 163).
277. Een trapezium te construeeren, welks inhoud gelijk aan een
gegeven vierkant is, wanneer de evenwijdige zijden en eene
der schuine zijden van het trapezium gegeven zijn (§ 163).
278. Een gegeven trapezium in twee gelijke deden te verdeelen,
door eene lijn, welke de basis middendoor deelt (§ 163).
279. De zijden eens driehoeks zijn 10, 12 en 14 M. lang: men
vraagt hieruit den straal des ingeschreven cirkels te bere-
kenen (§ 164).
280. Van een gelijkbeenigen driehoek is de basis = b, en de straal
des ingeschreven cirkels = r gegeven: men vraagt hierin de
opstaande zijden des driehoeks uit te drukken (§ 164).
281. Den inhoud te berekenen eens regelmatigen tienhoeks, wanneer