Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
158
gelijk aan den rechthoek, beschreven op die stukken der snijlijn,
welke begrepen zijn tusschen het gegeven punt en ieder der
snijpunten; men vraagt dit te bewijzen (§ IGO).
250. Wanneer men uit een punt van den omtrek eens cirkels eene
middellijn en eene koorde trekt, is het vierkant, beschreven
op de koorde, gelijk aan den rechthoek, die de middellijnen
de projectie der koorde op deze tot zijde heeft: men vraagt
dit te bewijzen (§ 160).
257. De basis en hoogte eeus rechthoeks verhouden zich als 3: 7,
en zijn inhoud bedraagt 1 dM'.: hoe groot is de straal zijns
omgeschreven cirkels? (§ 160).
258. De basis eens rechthoeks is zesmaal begrepen in den omtrek
zijns omgeschreven cirkels: hoe menigmaal is het vierkant
op de straal dezes cirkels in den inhoud des rechthoeks
begrepen? (§ 160).
259. Een vierkant te beschrijven, dat gelijk is aau de som van
eenige gegeven vierkanten ( 160).
260. Een vierkant te beschrijven, dat gelijk is aan het verschil
van twee gegeven vierkanten (§ 160).
261. Den inhoud van het parallelogram te berekenen, welks zijden
5 en 3 dM. lang zijn, terwijl een zijner hoeken gelijk is aan den
middelpuntshoek eens regelmatigen tienhoeks, of 36° (§ 161).
262. Een gegeven parallelogram, door lijnen evenwijdig aan de
basis, in drie deelen te verdeelen, die zich verhouden als
1, 2 en 3 (§ 161).
263. Den inhoud te berekenen eens driehoeks, welks zijden 3, 4
en 5 dM. lang zijn (§ 162).
264. Den inhoud te berekenen eens rechthoekigen driehoeks, wan-
neer eene zijner rechthoekszijden 2 M., en de straal zijns
omgeschreven cirkels 3 M. lang is (§ 162).
265. De zijden eens driehoeks verhouden zich als de getallen 2,
3 en 4, terwijl zijn inhoud 10 M'. bevat: hoe lang is elke
zijde? (§ 162).
266. De zijde te berekenen eens gelijkzijdigen driehoeks, die 1 dM'.
inhoud heeft (§ 162).
267. Een driehoek in een willekeurig aantal gelijke deelen te ver-
deelen, door lijnen, getrokken uit een der hoekpunten (§ 162).
268. Het vierkant, beschreven op de som van de halve basis en de
hoogte eens gelijkbeenigen driehoeks , is gelijk aan het vierkant,