Boekgegevens
Titel: Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Deel: Eerste stukje
Auteur: Kempees, J.C.J.
Uitgave: Breda: Broese & comp, 1880
14e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5270
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_202806
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Beginselen der meetkunst, benevens vraagstukken en oefeningen ter toepassing
Vorige scan Volgende scanScanned page
X,
! N 11 u li 1).
over één paar gelijke hoeken in beide driehoeken
even groot zijn............Bladz. 33.
§ G3. Stelling. Twee driehoeken zijn gelijk en gelijk-
vormig, wanneer twee zijden des eenon gelijk zijn
aan twee zijden des anderen, en tevens de hoeken
over één paar gelijke zijden in beide driehoeken
even groot zijn, mits men bovendien wete, dat de
hoeken over het andere paar gelijke zijden van
dezelfde soort, beide scherp of beide stomp, zijn. — 33.
Gevolgen. Twee rechthoekige driehoeken zijn gelijk
en gelijkvormig:
1", Wanneer de twee rechthoekszijden des eenen gelijk
zijn aan die des anderen;
2°. Wanneer de hypotenusa en eene der rechthoekszijden
des eenen gelijk zijn aan die des anderen;
3". Wanneer zij gelijke hypotenusa's hebben, en een
scherpe hoek des eenen gelijk is aan eenen des
anderen;
4°. Wanneer behalve de gelijkheid van eene rechthoeks-
zijde des eenen met eene rechthoekszijde des anderen,
nog die der aanliggende of overstaande scherpe hoeken
gegeven is..............— 34.
§ 64. Werkstuk. Een driehoek te beschrijven uit elk der
volgende stelsels van gegevens:
1°. Eene zijde en de twee aanliggende hoeken;
2°. Twee zijden en de ingesloten hoek;
3°. De drie zijden;
40. Twee hoeken en eene zijde over een dezer hoeken;
5®. Twee zijden en een hoek over eene dezer zijden. — 35.
Gevolg. Een driehoek is bepaald, wanneer van
zijne hoeken en zijden er drie gegeven zijn, mits
deze drie onderling onafhankelijk zijn .... — 38.
§ 65. Stelling. Als twee zijden van een driehoek gelijk
zijn aan twee zijden van een anderen driehoek, maar
de hoek begrepen tusschen de twee eerste kleiner
is dan de hoek begrepen tusschen de twee laatste;
dan zal ook de derde zijde over dien kleineren hoek
staande kleiner wezen dan de derde zijde over dien
grooteren hoek, en omgekeerd....... — 38,
Over <le eenvoudigste ei^eiisoliappeii der veellioekeii,
§ 66 - §76..............
§ 66. Bepalingen. Eene platte vlakte-uitgebreidheid, die
door een willekeurig aantal rechte lijnen volkomen
— 39.